Zijn er overblijfselen bekend van tussensoorten van zoogdieren waarvan de organen nog niet in onze ontwikkelingsfase zitten?

marc, 64 jaar
26 mei 2011

In de evolutie die heeft geleid tot onder andere het ontstaan van zoogdieren ( en dus ook de mens) is de ontwikkeling van organen van cruciaal belang. Hart, longen, nieren, lever, darmen, we kunnen niet zonder.
Deze organen zijn niet overnacht ontstaan, maar hebben waarschijnlijk eveneens een lange evolutie doorgemaakt, miljoenen jaren wellicht, om te maken tot wat ze nu zijn.
Mijn vraag is nu: hoe kan een zoogdier "in wording" (hiermee bedoel ik een zoogdier aan het begin, of midden zijn evolutieproces) levensvatbaar zijn, als het nog geen volwaardige organen heeft ontwikkeld, en dus eigenlijk niet levensvatbaar is?
Ook het automatisch werken van hart en longen (maw werken zonder dat wij een commando moeten geven) moet evolutief zijn ontstaan.
Er moeten dus welicht duizenden tussensoorten zijn geweest die geen gebruik maakten van organen zoals we ze nu kennen, maar toch levensvatbaar waren. Zijn er reeds overblijfselen van dergelijke creaturen gekend ?

Antwoord

Beste,


Van elk orgaan kan men de evolutiegeschiedenis volgen door de nu nog levende soorten van eenvoudiger gebouwde ("primitievere") diersoorten te onderzoeken. De door u genoemde organen komen niet enkel in zoogdieren voor, maar in alle gewervelde dieren, vissen inbegrepen.

Vissen bijvoorbeeld hebben ook een hart, maar de bouw ervan is simpeler dan bij ons: een vissenhart bestaat uit twee kamers, terwijl zoogdieren vier hartkamers hebben. De overgang van twee naar vier kamers is zeer goed te volgen bij amfibieën en reptielen, die een evolutionaire overgang vormen tussen vissen en zoogdieren. Dus ziet men hier hoe het hart stapsgewijs ingewikkelder werd in de loop van de evolutie. In dit geval was dat nodig om de overgang mogelijk te maken van water- naar landleven (het laatste kost meer energie en dus zuurstofverbruik, waarvoor een aangepast hart nodig is).

Maar ook bij nog eenvoudigere dieren dan vissen, bij ongewervelden, vindt men vaak een hart terug. Bij regenwormen bijvoorbeeld zijn er meerdere harten die eigenlijk gespierde segmenten zijn van bloedvaten. Dus kan men de evolutie van het hart volgen dat bij het begin een meer gespierd onderdeel was van een bloedvat en geleidelijk aan complexer wordt, met meerdere kamers en een aangepaste bezenuwing enz.

Hetzelfde geldt voor de darm, die men in zijn primitiefste vorm aantreft bij rond- of draadwormpjes, eenvoudige diertjes die in compost leven en nog geen millimeter lang zijn. Zij hebben reeds een darmkanaal, maar nog geen maag of lever. Die laatste organen evolueerden stapsgewijs bij verder geëvolueerde dieren. Zo kon de vertering van grotere hoeveelheden voedsel efficiënter plaatsgrijpen en konden daardoor grotere dieren evolueren.

Ook een complex orgaan zoals het oog kan men in primitieve vorm aantreffen bij bv. platwormen, zeer primitieve diertjes die twee oogvlekken gebruiken als lichtgevoelige organen. Deze oogvlekken bestaan uit een klein aantal lichtgevoelige cellen en zenuwcellen. In andere dieren evolueerde het oog in stapjes tot een steeds complexer orgaan dat uiteindelijk zwart-wit of zelfs kleurenbeelden kan opvangen.

Wat betreft de evolutie van het zenuwstelsel, is het zo dat de autonome werking waar u naar refereert de oudste vorm is. Ook de samenstelling van het zenuwstelsel is iets dat stapsgewijs evolueerde en dat men kan volgen door primitievere diersoorten te vergelijken.

Er zijn dus wel degelijk duizenden tussenvormen geweest, maar die maakten gebruik van organen die eenvoudiger gebouwd waren en eenvoudiger werkten dan die wij (zoogdieren) uiteindelijk hebben ontwikkeld.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2022
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door EOS vzw