Waar ligt de oorsprong van (de) BHV (crisis)?

Wim, 31 jaar
7 mei 2008

Nu de BHV-crisis terug op zijn hoogtepunt is: Wat is de historiek van !voor! het arrest van het grondwettelijk hof(arbitragehof) van 26 mei 2003 (nr. 73/2003) waartoe uiteindelijk de creatie van BHV als gevolg had?
Welke stappen/acties zijn ondernomen (sinds de creatie) om dit probleem op te lossen? Waarom is dit nooit gelukt? Waarom is het geheel uiteindelijk zo enorm uit de hand gelopen (dat dit een gigantisch symbooldossier geworden is) dat het een belangrijk deel van de huidige regeringscrisis vormt?

m.a.w.: Hoe is het zover kunnen komen?

Ondertussen weet iedereen (denk ik) dat het probleem is dat waalse/brusselse partijen stemmen kunnen halen in een Vlaamse regio en dit omgekeerd niet kan (schending van gelijkheidsbeginsel). Iedereen kent het probleem maar niemand de oorzaak. Ik vind dit ongeveer zoals een zieke van zijn koorts te proberen genezen en niet eens zoeken wat de oorzaak van de koorts is.

Ik heb twee dagen het internet afgespeurd en ik vind enkel stukken, fragmenten en flarden uit de federalisering van unitair België (taalgrens dan kiesarondissementen dan regionaliseren van politieke partijen), lijsten met (al dan niet protest-?) acties die al dateren uit 1990, héééééél veel discussies over de zin en onzin, maar ik vind geen duidelijk overzicht.

Dit is misschien een hele hoop maar een belangrijk deel van België zit met argusogen naar dit dossier te kijken zonder een goed beeld te kunnen vormen waarover het gaat.

Antwoord

Dag Wim,

Franstaligen en Nederlandstaligen vertrekken steeds van 2 principes: personaliteit en territorialiteit. Wat betekent dit? Franstaligen hanteren het personaliteitsprincipe: als Franstalige heb je het recht overal waar je wil je taal te spreken. Dit betekent ook dat de gemeenten waar een sterke minderheid Franstaligen woont het recht heeft in hun taal te corresponderen met het gemeentebestuur, ook wanneer dit om een Vlaamse, en dus eentalig Nederlandstalige gemeente gaat. Nederlandstaligen spreken daarentegen van het territoritorialiteitsprincipe: in Vlaanderen, begrensd door de taalgrens, is enkel het Nederlands de enige officiële en officieuze voertaal van de overheden. Hetzelfde geldt ook voor het Frans in Wallonië, terwijl in Brussel de beide talen op gelijke voet moeten worden behandeld. In het geval van BHV botsen beide principes voortdurend. Dat komt ook omdat de omvorming van het unitaire België naar de federale staat (nog) niet volledig is gebeurd.

Na discussies die al meer dan 100 jaar aansleepten werd in 1962 de taalgrens vastgelegd. Alles boven die grens hoorde eentalig Nederlandstalig te zijn, alles eronder Franstalig (of Frans- en Duitstalig voor de Oostkantons). De Brusselse agglomeratie was omwille van haar hoofdstedelijke functie officieel tweetalig, maar een echt statuut werd pas in 1988 met de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bekomen. Omdat de taalgrens een compromis was tussen de betrokken partijen, met heel wat achterpoortjes, was haar vastlegging eigenlijk pas het begin van een lang politiek proces. Heel wat gemeenten rond de taalgrens, of rond Brussel, waren immers niet zomaar Nederlands- of Franstalig te noemen. Zij kregen in 1963 een apart statuut: faciliteitengemeenten. De daar aanwezige taalminderheid had het recht om haar correspondentie met de overheid in de eigen taal te voeren. Het gaat hierbij wel om volwaardige Vlaamse of Waalse gemeenten, omdat zij op het grondgebied van Vlaanderen of Wallonië liggen: bijgevolg moet de gemeenteoverheid zich aan de wetten en reglementen van de regio houden. Omdat er nog al eens een loopje wordt genomen met de strikte toepassing van de taalwetgeving in de faciliteitengemeenten, waar de Franstalige minderheid intussen een stevige meerderheid is geworden, zijn er regelmatig conflicten met de Vlaamse overheid. De hele problematiek rond het al dan niet benoemen van een aantal burgemeesters in de faciliteitengemeenten rond Brussel is daar een gevolg van.

Na 1962-’63 werden er verschillende ‘ronden’ in de Staatshervorming gehouden. De structuren van België werden dan telkens aangepast. In 1970 werden de cultuurgemeenschappen en gewesten opgericht, in 1980 werden de bevoegdheden van beiden uitgebreid, met als gevolg de installatie van de eerste Vlaamse regering in 1981 (nog Executieve genoemd). Op Vlaams niveau werden de bevoegdheden van de gemeenschap (alles wat cultuur- en persoonsgebonden is) en gewest (energie, wegenwerken, natuurbeheer,...) gefusioneerd in één parlement met één regering; in Wallonië bleef de scheiding tussen de Franstalige Gemeenschap en het Waals Gewest bewaard (omwille van de aanwezigheid van de Duitstalige Gemeenschap). Elk van de drie heeft eigen parlement en regering.

In 1988 werden nog meer bevoegdheden van het nationale niveau naar gemeenschappen en gewesten. Brussel werd een volwaardig gewest met parlement en regering; de (culturele) belangen van de Vlamingen worden door de Vlaamse Gemeenschapscommissie beheerd, terwijl aan Franstalige zijde de Commission Communautaire Française (Cocof) of Franse Gemeenschapscommissie ook over een echt parlement en een soort van ‘regering’ beschikt. Samen met de Federale Regering beschikt België over 7 parlementen en 7 regeringen.

In 1993 tenslotte werd de Grondwet grondig herschreven waarbij België officieel een federale staat werd. Als gevolg daarvan moest ook de unitaire provincie Brabant worden gesplitst: vanaf 1 januari 1995 werd de taalgrens de afbakening tussen Vlaams- en Waals-Brabant. In 2002 besliste de regering om de traditionele kiesdistricten af te schaffen en te vervangen door provinciale kieskringen. Dus: heel de provincie wordt één district: alle inwoners kunnen dus op dezelfde lijst stemmen, terwijl vroeger 2 of 3 districten per provincie bestonden.

Het Arbitragehof, dat toezicht houdt op nieuwe en bestaande wetten die de staatsstructuren kunnen beïnvloeden, protesteert hiertegen in 2003. De oprichting van provinciale kieskringen is ongrondwettelijk omdat er in Vlaams Brabant nog steeds 2 aparte districten bestaan: Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven. Bovendien moet in die logica Brussel van B-H-V worden losgekoppeld. Het Arbitragehof beslist dat vóór 24 juni 2007 B-H-V moet zijn gesplitst: op die dag zouden immers nieuwe verkiezingen worden gehouden. Om tijd te winnen besluit de regering de verkiezingen naar 10 juni 2007 te vervroegen.

Bijgevolg moet B-H-V gesplitst worden omdat het anders grondwettelijk niet mogelijk zal zijn om federale verkiezingen te houden! Aan Franstalige zijde wil men dit behouden omdat de Franstaligen, die wonen in de Vlaamse gemeenten van het kiesdistrict, ook voor Franstalige kandidaten kunnen stemmen. Aan Vlaamse zijde wordt B-H-V daarom gezien als een instrument om de Vlaamse rand rond Brussel verder te verfransen: Franstaligen, die bijvoorbeeld in Gooik wonen, mogen op de PS stemmen omdat B-H-V het enige tweetalige kiesdistrict van het land is.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

drs. Jimmy Koppen

Vrijmetselarij; politieke geschiedenis van België; geschiedenis van de Vlaamse Beweging

Vrije Universiteit Brussel
Pleinlaan 2 1050 Elsene
http://www.vub.ac.be/

Zoek andere vragen

© 2008-2019
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen