Nu er wereldwijd een financiële crisis heerst, stel ik mij volgende simplistische vraag: waarom als een land in financiële moeilijkheden verkeert, drukt men niet gewoon bankbiljetten bij?

Lodewijk, 64 jaar
9 oktober 2008

Hoe bepaalt men of een land rijk of arm is?

Antwoord

Wel, om even eenvoudig te antwoorden: dat zou tot inflatie (en bijvoorbeeld ook een lagere waarde van de munt van dat land) leiden. Over heel de wereld zijn er landen geweest die deze techniek inderdaad hebben toegepast (denk op dit moment bijvoorbeeld aan Zimbabwe http://en.wikipedia.org/wiki/Zimbabwean_dollar#Money_supply_.282006.E2.80.932008.29) met alle desastreuze gevolgen vandien.

De rijkdom van een land bepaalt men eerder aan de hand van hoeveel reële waarde dat land produceert. Dergelijke dingen worden bestudeerd in de macro-economie, een erg boeiend maar ook erg ingewikkeld domein, waarin politici dezer dagen (altijd eigenlijk) op zeer glad ijs moeten lopen om de boel niet erger te maken dan hij is. Belangrijke namen die mechanismen in dit verband aan het licht brachten zijn Fisher, Keynes en Friedman, zie de wiki's. Maar eerst even een klein voorbeeld.

Stel, je hebt in een land 100 bankbiljetten van 1 (€ of $, £, ...) in omloop. We laten sparen en lenen even voor wat het is, en veronderstellen die twee op lange termijn in evenwicht. Ook veronderstellen we in dit eerste voorbeeld even dat het land geen handel met het buitenland drijft, wat we een gesloten economie noemen. En verder veronderstellen we ook even dat er geen belastingen worden geheven door de overheid (zou dat niet geweldig zijn) omdat ook deze op termijn terugvloeien naar de economie (bijvoorbeeld uitkeringen, waar ook producten mee worden gekocht). We veronderstellen ook even dat dat land twee fabrieken A en B heeft, die elk 50 stuks van respectievelijk product A en B produceren. Product A en B hebben dezelfde waarde. In een gesloten economie dienen die honderd briefjes dan uiteraard om de productie van dat land te kopen, steeds maar opnieuw: de werknemers (en bv ook aandeelhouders) van fabriek A en B kopen elk een bepaalde hoeveelheid van de productie van fabriek A en B op, en met dat geld betalen fabrieken A en B hun eigen werknemers (en aandeelhouders). In dat geval kan je afleiden dat, als product A en B even veel waard zijn en even gegeerd, ze beiden één briefje van 1 zullen kosten.

Stel nu dat er 100 briefjes worden bijgedrukt. Met dezelfde redenering zou je kunnen vinden dat er voor de betaling van één product twee keer zoveel geld ter beschikking is (je kan je geld immers aan niets anders uitgeven dan aan het kopen van de beschikbare productie). Voor één product wordt nu gewoon twee briefjes van één betaald. De nominale hoeveelheid geld is toegenomen, maar de reële rijkdom van de gesloten economie is dezelfde gebleven. In dit voorbeeld hebben we een inflatie van 100%. 

Je kan dit voorbeeld eenvoudig oplossen met de formule van Fisher M x V=P x Q, waarin M staat voor de hoeveelheid geld in omloop, V voor de snelheid van de transacties van dat geld, P voor het algemeen prijspeil en Q voor de productie in reële termen.

Als je nu ons voorbeeld neemt en zegt dat er per periode 100 producten (Q) zijn die elk één keer worden verkocht (100 transacties V), en dat dat na de verhoging van de hoeveelheid geld (M) hetzelfde blijft, dan wordt de vergelijking van Fisher als volgt:

M x V = P x Q en

M x 100 = P x 100, waarbij we de 100 aan elke kant kunnen schrappen, dus

M = P, (in ons voorbeeld 100 = 100) en bij een verdubbeling van de hoeveelheid geld moeten we dus ook het rechter lid verdubbelen, of

M x 2 = P x 2, wat dus wil zeggen dat een verdubbeling van het geld rechtstreeks leidt tot een verdubbeling van de prijzen (in ons voorbeeld: 200 = 200).

Dit voorbeeld zegt ook veel over het actuele debat over koopkracht. Zo kan je afleiden dat het niets oplost om iedereen in een land een loonopslag te geven, want dat verhoogt de gemiddelde koopkracht niet. Wat je wel kan doen is de productie van het land laten toenemen (dan blijven M en P constant en nemen Q en V toe, dus je krijgt meer voor hetzelfde geld, dus meer koopkracht) door het verhogen van de efficientie van productie. Je kan eventueel ook, bij een gemiddeld onveranderde koopkracht, deze koopkracht anders verdelen tussen bv. arm en rijk, maar, en dan is de cirkel rond, da's voer voor de politiek.

Maar nog even: als de Zimbabwaanse regering dit systeem kent, waarom drukt ze dan toch geld bij? Wel, eenvoudig omdat in ons voorbeeld de 100 briefjes extra door de overheid kunnen uitgegeven worden (aan bv lonen van overheidspersoneel). De overheid gaat dus van 0 koopkracht naar 100, of tegen een inflatie van 200% eigenlijk naar 50. Ze heeft dus plotseling de helft van de koopkracht van het land in handen. Dat haar burgers daardoor de helft van hun koopkracht kwijt zijn (zij blijven achter met 100 nominaal, 50 reëel), zal die overheid een zorg zijn.

Als je verder wil lezen kunnen de wiki links een begin zijn.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

 Bart Claus

TEW-Marketing-Consumentengedrag

Katholieke Universiteit Leuven
Oude Markt 13 3000 Leuven
http://www.kuleuven.ac.be/

Zoek andere vragen

© 2008-2020
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen