Waarom komen veel medische woorden uit het Latijn? Die taal spreken we toch niet meer?

Ibe, 14 jaar
27 juli 2021

Waarom zitten er in de medische wereld woorden afstemmend van de Latijnse taal ? We spreken dat nie meer en ik snap het nut niet.

Antwoord

Beste Ibe,

Om te begrijpen hoe het komt dat er zoveel medische woorden (vaktermen uit de medische wetenschap, ook vaktermen om lichaamsdelen te benoemen) uit het Latijn komen, moeten we eerst een hele stap terugkeren in de tijd. Vele eeuwen terugkeren in de tijd.

Je weet wellicht dat de Romeinen Latijn spraken en in de loop van meerdere honderden jaren beetje bij beetje een groot deel van Europa veroverd en onder hun controle gebracht hebben, niet alleen de gebieden die nu nog steeds grotendeels een taal spreken die uit dat Latijn ontstaan is (Italië, Frankrijk, Franstalig België, Franstalig en Italiaanstalig Zwitserland, Spanje, Portugal, Roemenië …), maar ook andere gebieden (zoals Engeland, Nederland, Nederlandstalig België, een groot deel van Duitsland, Oostenrijk, Duitstalig Zwitserland, Kroatië, Servië, Bosnië, Slovenië, Griekenland, Albanië …) waar helemaal geen taal gesproken wordt die uit het Latijn ontstaan is. Maar ook in die laatste gebieden is het Latijn in de Romeinse tijd in gebruik genomen. Het Latijn werd namelijk heel het Romeinse Rijk gebruikt als overkoepelend communicatiemiddel voor de administratie, voor de contacten tussen de plaatselijke bestuurders en het centrale gezag in Rome, voor het onderwijs, voor de wetenschap. Het Latijn was toen het talige bindmiddel voor het Romeinse Rijk. Natuurlijk bleven mensen overal in het Romeinse Rijk hun eigen taal spreken. Die eigen taal was bij ons het West-Germaans, de voorloper van wat later in verschillende gebieden Nederlands, Duits, Engels, Fries zou worden. In onze streken en bv. in Frankrijk werd ook Gallisch (een Keltische taal) gesproken, maar die taal is onder het geweld van het Latijn geleidelijk uitgestorven.

Bij het spreken van de eigen taal (bij ons dus West-Germaans en vanaf zo ongeveer 500 na Chr. kunnen we over Nederlands spreken) kwamen we voortdurend in contact met de taal van de machthebbers, de Romeinen, die allerlei voorwerpen, eetwaren, bouwmaterialen … naar onze streken brachten, die wij nog niet kenden. Omdat wij daar dus in onze eigen taal geen woorden voor hadden, namen we gewoon die woorden uit het Latijn over. Zo komt het dat we vandaag in het Nederlands deze woorden gebruiken:

(bouwtermen) muur, kalk, tegel, venster, poort, zolder, kelder, kamer, fundament, gips, krijt, marmer, molen, mortel, paal, pleister, specie, pek …

(landbouwtermen) vrucht, plant, kaas, boter, pruim, perzik, biet, kriek, graan, kool, raap, ui, kers, peer …

(kerktermen) engel, priester, bisschop, koster, dom, kapel, altaar, feest, schrijven, dichten, school, tafel, brief, monnik, kroon, kruin …

(kantoortermen) uur, minuut, seconde, datum, agenda, paragraaf, artikel, pagina, notaris, secretaris …

Je stond er wellicht nooit eerder bij stil, maar al die woorden en nog veel meer hebben we uit het Latijn overgenomen. Ze hebben hun Latijnse vorm in de loop van de voorbije 1500 jaar aan het Nederlandse taalsysteem aangepast. Zo komt het dat murus en fenestra muur en venster geworden zijn. Dat fructus vrucht en pera peer geworden zijn. Dat hora uur en articulum artikel geworden zijn. Hier en daar is de oorspronkelijke Latijnse vorm bewaard in het Nederlands, wellicht omdat die woorden bij ons nog lang in door ons geschreven Latijnse teksten in gebruik bleven: datum, agenda, secretaris.

En zo komen we bij de volgende stap. De Romeinen hadden het Latijn naar onze streken gebracht en op het moment dat de Romeinen hier weer verdwenen na de ineenstorting van het Romeinse Rijk, bleef het Latijn dienstdoen als internationaal communicatiemiddel, in elk geval voor de schriftelijke communicatie (administratie, wetteksten, inventarissen, wetenschappelijke publicaties, schoolboeken, religieuze teksten), maar ook voor de mondelinge communicatie (als internationaal communicatiemiddel, zoals het Engels vandaag). Het Latijn kon makkelijk blijven dienen als schrijftaal in dat hele grote gebied dat de Romeinen ooit veroverd hadden, omdat de talen die er oorspronkelijk gesproken werden, niet voor schriftelijke communicatie gebruikt werden. Er werd niet in het Germaans en ook (bijna) niet in het Nederlands geschreven. Het schrijven (scribere à schrijven, met een penna à pen en met encaustum à inkt) hebben we van de Romeinen geleerd en dus gebeurde het langzamerhand ook dat we in het Nederlands gingen schrijven, maar in het begin (tot 1200 na Christus) was dat nog vrij zelden. We schreven dus in het Latijn omdat dat de taal was die geschreven werd toen de Romeinen bij ons aankwamen en omdat we voordien nooit de gewoonte hadden om iets op te schrijven (in de eigen taal). Toen de Romeinen hier verdwenen, zijn we dat dus blijven doen, in het Latijn.

Tot in de achttiende eeuw bleven we in het Latijn schrijven (alle soorten teksten: religieuze teksten, wetten, reglementen, wetenschappelijke boeken over planten, ziekten, dieren, taal, wiskunde, economie …, schoolboeken …). En dus bleven we Latijnse woorden zoeken en gebruiken voor nieuwe verschijnselen, ook in de medische wetenschap. Ziekten kregen een Latijnse benaming omdat over die ziekten in het Latijn geschreven werd, niet in het Nederlands. Benamingen voor alle delen van het menselijk lichaam waren Latijnse benamingen omdat boeken over de bouw van het menselijk lichaam in het Latijn geschreven werden, niet in het Nederlands. Daar komt nog eens bovenop dat het universitair onderwijs tot in de 19e eeuw in het Latijn verliep, overal in Europa, ook bij ons. Pas in de loop van de 19e eeuw is men overal in Europa aan de universiteiten overgeschakeld op de eigen taal: Frans, Duits, Engels, Nederlands … Maar ondertussen zaten al die Latijnse woorden dus al als vaktermen opgeslagen in onze woordvoorraad: hepatitis (geelzucht), tuberculosis (tuberculose), sinusitis (bijholteontsteking), gastritis (maagontsteking), cancer (kanker), fractura (fractuur, botbreuk), distortio (distorsie, verzwikking), subcutaneus (subcutaan, onderhuids), femur (dijbeen), calcaneum (hielbeen) … Daarbij werden ook Griekse termen gebruikt, zoals bij cardiologie (Grieks kardia + logia). Het eerste deel van het woord hepatitis is Grieks (hepar ‘lever’). Ondertussen zijn heel veel van die woorden ook in het Nederlands vertaalbaar. Anders gezegd: heel veel medische begrippen kunnen evengoed met een Nederlandse term benoemd worden. Ik heb ze hierboven tussen haakjes gezet. Maar de (universitaire) opleiding in de geneeskunde blijft gebruikmaken van de Latijnse termen (deels uit traditie, deels omdat die termen in de wetenschappelijke literatuur voorkomen, deels omdat nu ook heel veel Engelse wetenschappelijke literatuur gebruikt wordt, waar die termen natuurlijk ook allemaal op het Latijn gebaseerd zijn). En zo komt het dat dokters tegen hun patiënten soms die Latijnse woorden gebruiken. (Je zou terecht kunnen denken: dat moeten ze niet doen. Maar ze kunnen het niet laten, want door die Latijnse woorden te gebruiken, willen ze blijkbaar toch een beetje indruk maken.)

Er zijn overigens ook heel wat Latijnse woorden die wij in gewone taal zelf ook als medische termen gebruiken: meniscus, virus, penis, vagina, corona, anus, abortus, antibiotica, placebo  …

Het Latijn kan dan wel een dode taal zijn, maar door de loop van de geschiedenis is die taal eigenlijk nog lang kunstmatig min of meer in leven gehouden voor bepaalde doeleinden. Tot in de twintigste eeuw werd in de katholieke Kerk nog Latijn gesproken tijdens misvieringen.

Niet alleen in de medische taal krioelt het van het Latijn. Ook in de taal die we gebruiken om over de taal te spreken, krioelt het van het Latijn: substantief, adjectief, subject, prefix, suffix, predicaat, compositie, derivatie, grammatica … Die woorden zijn in de loop van de voorbije eeuwen ook in het Nederlands vertaald: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, onderwerp, voorvoegsel, achtervoegsel, gezegde, samenstelling, afleiding, spraakkunst … Die Nederlandse woorden zijn het resultaat van letterlijke vertalingen. Bijvoorbeeld: subject = sub (onder) + ject (werp).

En als je verder gaat kijken, dan zie je ook nog tientallen, wellicht honderden Latijnse woorden in het Nederlands: antibiotica, fysica, optica, museum, rebus, placebo, radius, aquarium, nuntius, syllabus, krokus, collega, thema, programma, basis, dosis, crisis, stadium, instrumentarium, cadmium, presidium, colloquium, criterium, delirium, dolfinarium, dormitorium, podium, laboratorium, geranium, jodium, minimum, maximum, medium, media, natrium, patrimonium, confrater, abortus, corpus, bonus, alumnus, campus, casus, catalogus …

Je mag je dus niet blindstaren op Latijnse woorden in de medische wereld. Ze zitten overal in onze taal. En ze zijn veel talrijker dan je op het eerste gezicht zou denken, want je zegt programma en krokus (Latijn crocus) en beseft niet dat het Latijnse woorden zijn.

Met hartelijke groet,

Peter Debrabandere

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

Docent Peter Debrabandere

Nederlands Specialismen: Nederlands (algemeen), Nederlands in Belgiƫ (Belgisch-Nederlands), Standaardnederlands, taalnormen, taalzorg, taaladvies

Katholieke Hogeschool Vives
Doorniksesteenweg 145 8500 Kortrijk
http://www.vives.be

Zoek andere vragen

© 2008-2021
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen