Welke gevolgen had de kernramp in Tsjernobyl voor België?

Tim, 30 jaar
17 juni 2019

Antwoord

Beste Tim

 

Op 26 april 1986 ontplofte reactoreenheid 4 in Tsjernobyl. Dit was meteen het zwaarste ongeval in de geschiedenis van de vreedzame toepassingen van kernenergie. 
Over het onstaan van het ongeval verwijs ik je graag naar een andere vraag die eerder werd beantwoord via het IHEV platform.

In de periode na het ongeval in Tsjernobyl werd de Belgische bevolking op verschillende manieren blootgesteld aan radioactieve straling. De voornaamste blootstelling werd veroorzaakt door de uitwendige straling van de radioactieve stoffen die op de grond terechtkwamen, door inademing van besmet stof en door het eten van besmet voedsel. In België was in 1986 de verdeling van de besmetting afhankelijk van de weersomstandigheden. Op plaatsen waar het regende werd de luchtactiviteit neergeslagen op de grond en vormde zich een grotere oppervlaktebesmetting dan op plaatsen waar het droog bleef. In de SCK•CEN publicatie 'Tsjernobyl, 25 jaar later' vindt u een kaart van België met daarom de gemeten en berekende oppervlakteactiviteit voor jodium-131, cesium-134 en cesium-137, de voornaamste isotopen die zijn vrijgekomen van dit ongeval.

In Mol, dat zich in het meest besmette deel bevindt, deed het SCK•CEN een groot aantal metingen die als referentie voor België genomen werden. Naast omgevingsstraling mat men vooral radioactief jodium en cesium in luchtstof, gras, bladgroente, melk en vlees.  In mei 1986 hebben talrijke metingen op verschillende voedingsgewassen aangetoond dat de besmettingsniveaus ver onder de geldende normen zijn gebleven. Bepaalde groenten waarvan de bladeren rechtstreeks blootgesteld zijn geweest aan depositie vanuit de atmosfeer hebben voor jodium-131 maximale besmettingsniveaus vertoond van 400 Bq/kg voor veldsla, 300 Bq/kg voor sla en tussen 100 en 200 Bq/kg voor andere gewassen (spinazie, tuinkers, andijvie, prei, selder,…). De besmettingsniveaus voor cesium-137 in spinazie zijn snel afgenomen, van een maximale waarde van 200 Bq/kg vlak na de depositie tot 30 Bq/kg tijdens de tweede helft van de maand mei. Als gevolg van het ongeval van Tsjernobyl heeft men de wetgeving geharmoniseerd en zijn er nieuwe normen vastgelegd voor voedingsgewassen in geval van een nucleair ongeval.

De extra dosisbelasting in België die men uit de metingen kon afleiden was zeer laag. Voor volwassenen varieerde deze blootstelling tussen 0,03 en 0,1 mSv gedurende het eerste jaar na het ongeval. Omwille van andere voedingsgewoonten en een hogere gevoeligheid voor straling kon dit voor de meest blootgestelde jonge kinderen oplopen tot 0,3 mSv. Voor de periode van 30 jaar na het ongeval schat men dat een bijkomende dosis van 0,1 tot 0,2 mSv gemiddeld over het Belgische grondgebied kan worden verwacht. De schildklierdosis van een jong kind dat hoofdzakelijk van de meest besmette melk zou hebben gedronken, zou 4 mSv bedragen voor het eerste jaar na het ongeval in Tsjernobyl. 

De supplementaire stralingsblootstelling in België ten gevolge van het Tsjernobyl-ongeval is dus klein, vergeleken met de gemiddelde stralingsblootstelling van onze bevolking (en zelfs gering ten opzichte van de geografische schommelingen in de natuurlijke stralingsblootstelling). Zelfs gebruik makend van de meest pessimistische risicocijfers aangaande kankerinductie en aangeboren of erfelijke afwijkingen, is het niet mogelijk om een eventuele toename te detecteren. Andere gezondheidseffecten (zoals schildklierfunctieproblemen, daling van de vruchtbaarheid, onderdrukking van het beenmerg) werden in ons land niet waargenomen omdat zij pas optreden als een hoge drempeldosis wordt overschreden.

 

Tom Clarijs 

Wetenschappelijk medewerker

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2019
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen