Tijdens en na WOII stonden in België veel woningen van Joodse eigenaars leeg. Wat gebeurde daarmee?

Andre, 71 jaar
21 maart 2019

WO II, vele Joodse woningeigenaars keren in 44/45 niet terug. Hoe konden deze woningen (van wie, door wie...) aangekocht worden? Of werden ze gewoon in bezit genomen, zonder meer?

Antwoord

Een goed en volledig antwoord op uw vraag staat hier, zij het voornamelijk op basis van de situatie in Antwerpen:

http://www.cegesoma.be/docs/media/chtp_beg/chtp_13_14/chtp13_14_008_Dossier2_VandenDaelen.pdf

Heel in het kort:

  • Veel onroerend bezit was al tijdens de Tweede Wereldoorlog onder dwang verkocht of opgeëist. Juridisch gezien waren veel Joodse gezinnen daardoor geen eigenaar of zelfs huurder meer op het moment van hun deportatie.
  • Er was veel juridische onduidelijkheid na de bevrijding. Een paar voorbeelden van de geïmproviseerde aanpak: het CJVB plakte vignetten op woningen om ze voor te behouden voor teruggekeerde Joden, maar de Britse bevrijders trokken daarin; in de ene stad moesten advocaten toezien op de teruggave van onroerend goed van de Duitse 'Verwaltung'-dienst, en in de andere de pas opgerichte Dienst van het Sekwester; schadevergoedingen werden enkel uitbetaald eigenaars die de Belgische nationaliteit bezaten, hetgeen een minderheid onder de Joodse slachtoffers vormde. Er was ook helemaal geen rechtspraak om op terug te vallen voor omgang met verdwenen eigenaars, beschadigde eigendommen, huurders in teruggeëiste woningen, doorverkochte eigendommen waarbij de koper de oorsprong niet kende, niet teruggeëiste eigendommen.
  • In 1951 werd besloten dat Ministerie van Financiën beheerder zou worden van alle niet opgeëiste Joodse onroerende goederen, in afwachting van mogelijke teruggave. Een rapport van de Studiecommissie Joodse Goederen uit 2001 bleek dat heel wat eigendommen buiten schot bleven. Ook huurcontracten met Joodse huurders werden maar langzaam en moeizaam hersteld, deels omdat veel Joodse huurders onder lichte of zware dwang hun contract hadden doorgegeven aan een niet-Joodse huurder. Dat laatste werd pas in 1947 door een wet erkend, hetgeen in de praktijk veel te laat kwam.
  • En helemaal dramatisch was het voor Joden met de Duitse of Oostenrijkse nationaliteit, die tijdens de oorlog in België leefden en werden vervolgd, en die na de oorlog als staatsgevaarlijken werden geïnterneerd. Iets waartegen Camille Huysmans sterk protesteerde

Reacties op dit antwoord

  • 03/04/2019 - Andre (vraagsteller)

    Best interessant maar naar mijn gevoel erg onvolledig. Een belangrijke vraag blijft; hoe kwamen de "nieuwe" eigenaars in het bezit van dergelijke woningen ? Aan wie werd er betaald en onder welke voorwaarden (was er een administratie voor toezicht, wie bepaalde de marktwaarde, aan wie of wat werd er betaald, misbruiken, vriendendiensten ... )? De werkelijke eigenaars waren immers niet meer levend en konden niet protesteren !

  • 03/04/2019 - Karl (wetenschapper)

    De meeste van die woningen (en gronden, en bedrijfsgebouwen) kwamen tijdens de oorlogsjaren eerst in handen van de Militärverwaltung, die daarvoor beheerders had. Het beheer bestond erin om de goederen te verkopen, te verhuren of zelfs weg te schenken - een echt militair gebruik was er niet. Er was dus wel een administratie, die per stad bijhield welke goederen op welke manier werden opgeëist, en aan wie en onder welke prijs werd doorverkocht of verhuurd. Over de werking van die Verwaltungsdiensten is wel degelijk archiefmateriaal ter beschikking. Een moeilijkheid is wel dat vanaf de oprichting van die diensten in 1942, de goederen vaak nog door veel andere handen gingen, die niet altijd op de hoogte waren van de oorsprong ervan. Een ander deel werd echter uit noodzaak afgestaan of doorverkocht aan derde partijen, en valt daarom moeilijker te retraceren; alleen kadastergegevens kunnen iets zeggen over overdracht van eigendom, maar dat zegt bijvoorbeeld weinig over verhuur of over het vrijwillige karakter van de overdracht, of over de werkelijke marktwaarde, of over bijkomende voorwaarden. Onroerend goed werd uit veiligheid bij niet-Joodse vrienden 'geparkeerd' (maar niet altijd netjes teruggegeven!), of onder dwang aan een Duitsgezinde familie of concurrent verkocht voor een habbekrats of voor een vage belofte van bescherming. Dat deel onroerend goed is veel moeilijker te retraceren, zelfs ondanks de oprichting van een Belgische dienst voor Sekwester en van de wet van 1951.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2019
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen