Waarom verliep de prehistorische evolutie zoveel trager dan de historische?

karel, 80 jaar
14 mei 2018

Antwoord

Een zeer beknopt antwoord op deze vraag is dat er in de historische periode al meer kennis bestaat en dat kennis nieuwe kennis creërt.

Het is een algemene wetmatigheid dat kennis nieuwe kennis creëert. Kennis is immers cumulatief. Ieder nieuw element van inzicht, kennis of technologie dat door iemand wordt gecreëerd opent de weg naar nieuwe ideeën voor deze persoon of voor anderen die zijn idee leren kennen. Dit vaak nog des te meer wanneer een nieuw idee of inzicht gecombineerd wordt met andere ideeën of inzichten die al bestaan. Hoe meer inzicht er al bestaat, hoe meer nieuwe ideeën en inzichten er dus mogelijk zijn.

Bij de vergelijking tussen de historische en de prehistorische periode speelt zeker ook een zeer specifieke uitvinding een rol, namelijk het schrift. Het bestaan van deze uitvingding is wat het principiële verschil maakt tussen prehistorische en historische maatschappijen. Schrift is een manier om kennis en ideeën op te slaan, zodat deze gemakkelijker zijn uit te wisselen en zodat ze niet verloren gaan wanneer ze tijdelijk geen praktisch nut dienen. Op deze manier zijn er in een historische maatschappij automatisch veel meer ideeën aanwezig, en kunnen ze vlotter worden gedeeld. Het schrift verhoogt dus enorm de mogelijkheid om ideeën te ontwikkelen. De mogelijkheid om informatie nu digitaal op te slaan en pijlsnel uit te wisselen en te doorzoeken zorgt in deze zin nog eens voor een versnelling.

Omdat er in historische maatschappijen al meer kennis en technologie aanwezig is ligt de materiële productivteit ook hoger. Dit heeft twee hier relevante gevolgen. Het eerste gevolg is dat de bevolking groter is, omdat er meer voedsel en andere levensnoodzakelijke middelen kunnen geproduceerd worden op dezelfde oppervlakte. Hierdoor zijn er meer mensen in historische maatschappijen. Meer mensen die kunnen denken betekent ook meer mogelijkheid tot nieuwe ideeën. Het tweede gevolg is dat slechts een veel kleiner deel van de bevolking met voedselproductie moet bezig zijn,waardoor een groter deel van de bevolking meer tijd heeft om na te denken en op nieuwe ideeën te komen of om zich in andere productiesectoren te verdiepen en daar dus nieuwe uitvindingen te doen.

Dat in historische maatschappijen grotere delen van de bevolking niet met voedselproductie bezig zijn brengt ook met zich mee dat er een grotere diversiteit aan goederen wordt geproduceert, en vaak verschillende dingen bij verschillende groepen. Dit schept de behoefte voor groepen mensen om met elkaar handel te drijven omdat ze elkaar verschillende dingen kunnen bieden. Dit zorgt ervoor dat groepen mensen meer en intenser met elkaar in contact te treden. Steeds meer en intensiever contact tussen groepen mensen die verschillende ideeën en inzichten hebben zorgt er dan ook weer voor dat meer verschillende ideeën naast elkaar kunnen worden gelegd en zo ook weer nieuwe inzichten worden bedacht.

Het geheel van opgesomde factoren verklaart overigens ook waarom binnen de 'historische periode', die slechts een zeer klein deel is van de totale bestaanstijd van de mensheid tot nu toe, de materiële ontwikkeling alsmaar sneller lijkt te gaan.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2018
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen