Wie heeft de mensen uit het achterhuis (Anne Frank) verraden?

kavita, 24 jaar
27 april 2018

Antwoord

Dag Kavita,

Zowel het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie als de Anne Frank Stichting, stellen dat de ware toedracht niet meer te achterhalen is, dat er weinig bewijslast is om één van de drie of vier hoofdverdachten aan te wijzen, en dat toeval een sterke rol kan hebben gespeeld. Ook merkt ze op dat het een grote groep onderduikers was, middenin een zeer drukbebouwd deel van Amsterdam, en dat het dagboek van Anne herhaaldelijk melding maakt van onvoorzichtig gedrag van de onderduikers, zodat hun aanwezigheid ook door één van de honderden mensen die in de Keizersgracht, de Leliegracht en de Westermarkt woonden of werkten, kon zijn opgemerkt en verraden. Mogelijk waren de SD-ers met hun inval op 4 augustus 1944 vooral op zoek naar zwarte handel, illegale tewerkstelling en bonnenfraude, en stootten ze eerder toevallig op de schuilplaats met de Joodse onderduikers. In dat geval was er geen sprake van een verraad.

Vooral Otto Frank bleef nochtans lang uitgaan van een moedwillig verraad. Dat er wel een verraad zou zijn geweest, is gebaseerd op twee elementen die moeilijk nog te verifiëren zijn:

  • Eén van de (drie of vijf, of zelfs acht?) SD-agenten zou rechtstreeks naar de verborgen toegang achter de boekenkast zijn gestapt - hoewel de getuigenissen daarvoor ontbreken, en de meeste agenten vooral de werkplaats op het gelijkvloers, en de kantoren doorzochten, en andere getuigenissen een ander zoekpatroon aangeven (met of zonder getrokken wapens, met of zonder een ondervraging/bedreiging van vooral het kantoorpersoneel).
  • De bevelhebber van de invallers, SS-er Karl Silberbauer, heeft na zijn arrestatie in 1962 verklaard dat hij de opdracht voor de inval bij onderduikers had gekregen van zijn superieur Julius Dettmann, die een anoniem telefoontje had gekregen. Silberbauer gaf verschillende tegenstrijdige verklaringen hierover (de beller sprak Nederlands, of net niet) en het telefoonverhaal zelf zit vol onwaarschijnlijkheden (er waren amper werkende telefoonverbindingen; de Nederlandse politie gingen normaal zelf zonder SD op onderzoek voor dit soort verraad; superieuren hoorden hun medewerkers niet te informeren over hun informatiebronnen).  Dettmann pleegde zelfmoord tijdens zijn krijgsgevangenschap in 1945 en kon het telefoonverhaal dus bevestigen nog ontkennen. Een latere toevoeging is dat het om een vrouwenstem zou gaan - wellicht is de bron daarvoor Cor Suijk, die het toeschreef aan Otto Frank.

De politiearchieven reppen niet over die telefoontjes of een verraad, er zijn geen sporen teruggevonden van de uitbetaling van enige beloning, en - misschien wel het opvallendst - na de ontdekking van het achterhuis rond 11u in de voormiddag moesten de SD-ers telefoneren om een autobus of vrachtwagen voor de gearresteerde onderduikers, die er pas rond 13u in de namiddag zou komen. De invallers waren enkel met een personenauto gekomen, waarmee ze helemaal geen groep onderduikers konden wegbrengen. Bij het doorzoeken van het achterhuis konden ze het magazijn en de kantoren ook niet bewaken, waardoor o.a. Jan Gies en Bep Voskuijl zich uit de voeten konden maken. Het wijst op improvisatie, eerder dan verraad.

Een beschuldigende vinger werd een paar keer uitgestoken naar

  • Opetka-magazijnchef Willem van Maaren (o.a. verdacht door Victor Kugler, Bep Voskuijl en Jo Kleiman), die echter geen belang had bij verraad, geen Duitse of anti-Joodse sympathieën had, en de spullen van Anne achteraf hielp in veiligheid brengen, zodat ze niet in Duitse handen zouden vallen.
  • Lena Hartog-van Bladeren, werd in 1998 door Anne Frank-biografe Melissa Müller aangewezen, op basis van gammele ondervragingen in 1947-1948, het feit dat haar zoon in de Duitse marine dienst had genomen, en dat haar echtgenoot Lammert Hartog als magazijnier bij Opekta werkte, en zijzelf werkte voor Cimex, één van de bedrijven van de gebroeders Kleiman. Het is echter twijfelachtig of Hartog-van Bladeren wel ooit in de Prinsengracht is geweest, dat ze verraad zou plegen op een dag dat hij er werkte (en hij dus ook opgepakt zou kunnen worden) en of ze vóór 4 augustus wel gesproken heeft over Joodse onderduikers (na die datum was het uiteraard groot nieuws).
  • Collaborateur en kleine crimineel Tonny Ahlers werd in 2002 door Otto Frank-biografe Carol Ann Lee beschuldigd, zij het vooral op basis van het feit dat hij Otto Frank al vóór het onderduiken had proberen te chanteren, en na de oorlog zelf sterke verhalen over een mogelijk verraad verkocht, met veel onjuistheden.
  • De jongere zus van Bep, Nelly Voskuijl, werd in 2016 door Jeroen De Bruijn en Joop van Wijk (zoon van Bep) aangewezen, omdat ze net teruggekeerd was naar Amsterdam en een verhouding had met een Duitse onderofficier.

Er is wel degelijk een aantal keren bijzonder grondig gerechtelijk onderzoek gedaan naar mogelijke verraders, vooral in 1947-1948, rond 1955 (bij de uitgave van een toneelstuk gebaseerd op het Achterhuis) en rond 1963 (bij de arrestatie van Silberbauer).

De verraadtheorieën blijven populair, hoewel ze vaak op zeer weinig gegevens gebaseerd zijn. Otto Frank zelf ging later in zijn leven uit van een eerder toevallige ontdekking, of één van de helpers die ongewild op de verkeerde plaats een woord teveel heeft laten vallen; hij geloofde in 1963 zelf niet in de verraadhypothese van Silberbauer.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2021
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen