Zorgt het zomeruur voor meer zonlicht?

Stijn, 11 jaar
17 april 2018

Als we overschakelen naar het zomeruur wordt 2 uur 3 uur en is het automatisch een uur langer klaar de dag nadien, maar moesten we nu niet het zomeruur gekend hebben wordt het dan niet een uur langer klaar of hoe zit dat exact aub? Zelfde problematiek bij winteruur.

Antwoord

Hallo Stijn, In de zomer is het inderdaad langer licht dan in de winter. Dat heeft te maken met hoe de aarde rond de zon draait. Dit is iets natuurlijk dat al miljoenen jaren zo is. De reden waarom mensen werken met zomertijd en wintertijd, heeft te maken met de economie en hoe we als mensen ons leven organiseren. Het winteruur is zogenaamd het 'normale uur.' Als we het winteruur in de zomer zouden aanhouden, wordt het 's morgens al klaar rond 4 uur, maar gaat de zon ook onder rond 9 uur 's avonds. Het probleem is dat weinig mensen zo vroeg 's ochtends al wakker zijn, maar veel mensen wél wakker zijn rond 9 uur 's avonds. Daarom werd ooit het zomeruur ingevoerd: om optimaal gebruik te kunnen maken van het zonlicht en op die manier elektriciteit en energie uit te sparen...

Door de invoering van het zomeruur, kunnen mensen 's avonds dus een uur langer gebruik maken van het zonlicht en moeten de lampen een uur later aan. Een leuk weetje is ook dat het gebruik van zomertijd en wintertijd afhankelijk is van land tot land. Veel landen, zoals België, gebruiken het systeem van zomertijd en wintertijd, terwijl sommige andere landen alleen maar wintertijd (de normale tijd) (bijvoorbeeld Congo) of alleen maar zomertijd (bijvoorbeeld IJsland) gebruiken.

Een ander leuk weetje is dat landen op het zuidelijk halfrond overschakelen naar wintertijd als wij naar zomertijd gaan, en omgekeerd; aangezien het winter is in het zuidelijk halfrond als het hier zomer is, en omgekeerd.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2021
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen