Hoe moet ik me die zgn. multipele universums voorstellen?

Walter, 50 jaar
9 juni 2013

In 'Through the Wormhole' met Morgen Freeman, populair wetenschappelijke documentaire reeks op Discovery, zegt een NASA wetenschapper Sasha Kashlinsky, dat ons universum meer uitdeint naar één kant. Wat zou inhouden dat er een soort aantrekkingskracht is buiten ons universum. Deze aantrekkingskracht zou het bestaan van multipele universums bevestigen. Klopt dit?
Een andere wetenschapper zegt, in dat zelfde programma, dat het waarschijnlijk is dat er meerdere universums bestaan. Stel dat die theorie juist is, hoe zou ik me dat moeten voorstellen? Als bubbels in een grote zwarte leegte? Maar hoe kunnen ze dan aantrekkingskracht op elkaar uitoefenen zonder elkaar uiteindelijk te vernietigen? Of als een soort honinggraat een pentagonale of octagonale opbouw?

Antwoord

Er zijn twee aspecten aan het antwoord dat ik u wil geven.  Eerst over 'andere universa' en dan over 'het zich voorstellen'.

Het eerste aspect is enigszins linguistisch van aard.  Het heelal is 'alles dat er is', er is maar een alles.  Wat we nu aan het ontdekken zijn, is dat de wereld nog groter, diverser, rijker,..., is dan we eerst dachten, maar zover ik weet wordt het woord 'alles' niet in het meervoud gebruikt.  Dat soort dubbelzinnigheden is niet nieuw.  Minder dan honderd jaren geleden pas is duidelijk geworden dat de 'nevels' aan de hemel aparte sterrenstelsels zijn.  Tevoren dacht men dat ons eigen sterrenstelsel het zo ongeveer was, en dan heeft men (eens te meer, na de revolutie met Copernicus) vastgesteld dat het heelal veel groter is dan we dachten.  Toen sprak men van 'eiland-heelallen' om die andere sterrenstelsels te duiden.  Sindsdien hebben we door dat ons heelal groter is dan we eerst vermoedden (wat trouwens best begrijpelijk is), maar we maken opnieuw dezelfde fout.
Het probleem vandaag is wel een beetje abstracter dan toen, omdat het niet zo duidelijk is of we het eventuele onverkend terrein van ons universum wel kunnen verkennen, wat meteen de vraag stelt of het wel zin heeft erover te spreken.  De vraag vertrekt bij het waarom de wetten van de fysica zijn wat ze zijn, want puur wiskundig had het ook anders gekund.  Een mogelijk antwoord is dat er verschillende manieren zijn om fysica te hebben (en dat telkens andere universa noemen is het linguistisch probleem), waarbij wij nu gewoon in het (stukje) heelal wonen waar onze wetten gelden.  En dan komt erbij dat we vastgesteld hebben dat het stuk van het heelal waar wij wonen er een is dat zich bij het begin zeer snel heeft uitgebreid (het 'inflationaire heelal'), zodat het logisch wordt dat we enkel dit stukje zien en de rest niet. 
En daar komen die nieuwe metingen, ook van de Europese kosmologische satelliet Planck.  Het kan zijn dat het heelal dat wij kunnen waarnemen al niet meer helemaal homogeen is, en dat we toch kunnen zien dat en op welke manier we een stukje zijn van iets dat weer zoveel minder klein is dan wezelf zijn.  Dat is dus heel spannend en intrigerend, maar - dat wil ik toch ook benadrukken - geen breuk met het verleden van onze wetenschap.

Aspect twee is dus 'hoe moet ik het me voorstellen?'.  Voor alle duidelijkheid: u moet niets.  Laten we het over dat 'voorstellen' hebben.  Waarbij ik - met excuses aan de trouwe lezers - in herhaling val, dit is trouwens mijn 700-ste antwoord op deze site.  
De discussie gaat terug tot Plato en Aristoteles.  Plato zag de fenomenen als een afspiegeling van een fundamentelere abstracte werkelijkheid, Aristoteles begon door te hebben dat hetgeen we kunnen weten en denken, afhangt van onze empirische mogelijkheden.  Vandaag weet iedereen dat wij product zijn van de wereld, maar weinigen beseffen dat dit ook betekent dat we moeten afzien van de ambitie om het systeem volledig te objectiveren, om het laatste woord te hebben.  Niet alleen de atomen waaruit we bestaan, ook het begripskader dat we hanteren in ons zogenaamd autonoom denken, is schatplichtig aan de wereld die ons heeft voortgebracht.
Want als u vraagt hoe u het zich moet voorstellen, extrapoleert u impliciet ruimtelijke indrukken van onze wereld als absolute begrippen.  En ten gronde is dat een kringredenering.
Maar nog fundamenteler dan de discussie tussen Plato en Aristoteles, werd uw vraag beantwoord in Genesis 2.  De mens die denkt dat hij de sleutel heeft om de ultieme betekenissen te snappen, kent zijn plaats niet in het systeem, want hij wil zelf God zijn, en dat is niet erg wijs.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2021
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen