Vanaf waar wordt zeewater in de Scheldemonding zoet water?

felix, 66 jaar
6 mei 2008

Wat zijn de bepalende factoren?

Antwoord

De Schelde en haar bijrivieren ondergaan getijdenwerking. Deze laat zich stroomopwaarts overal voelen tot op de plaatsen waar stuwen zijn ingeplant. De stuwen vormen een barrière voor water dat bij vloed aangevoerd wordt vanaf de Scheldemonding en ze houden tegelijkertijd stroomopwaarts het waterpeil min of meer constant. Deze stuwen bevinden zich in de bovenloop van de Schelde zelf in Gentbrugge, Zwijnaarde en Merelbeke. Dit gedeelte van de Schelde wordt daarom Zeeschelde genoemd. Op de Zenne bevindt de stuw zich in Zemst, op de Dijle in Haacht, op de Kleine en Grote Nete respectievelijk in Grobbendonk en Itegem.

Bij vloed stroomt dus zout water vanuit zee via het Schelde-estuarium naar de bovenloop en de bijrivieren. Tijdens perioden met lage debieten van de bijrivieren, meestal tijdens de zomer, is de Schelde tot Gent plus de gedeelten van de bijrivieren stroomafwaarts van de stuwen, gevuld met zout water. Omgekeerd, tijdens perioden met hoge debieten van de bijrivieren, meestal in de late herfst en winter, is enkel nog het lagere gedeelte van de Schelde, ongeveer tot Antwerpen, zout of brak. Tussen deze twee uiterste toestanden schommelt het zoutgehalte van de Schelde voortdurend, afhankelijk dus van het getij en de bovendebieten.

Beantwoord door Mark Moens, wetenschapper departement Noordzee

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

Lic. Sigrid Maebe

Wetenschapscommunicator met expertise in landbouw en mariene biologie

Vlaamse wetenschappers in het buitenland

http://ikhebeenvraag.be/help.jsp

Zoek andere vragen

© 2008-2020
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen