Waarom wordt enkel gelet op de rhesusfactor van de vrouw bij een zwangerschap en niet op de bloedgroepen A en B?

Pacal, 43 jaar
30 november 2011

Bij beide situaties moeten door de moeder toch antilichamen gevormd worden wanneer er bloed van het kind (tijdens de zwangerschap of tijdens de geboorte) in de de moeder terecht komt.

Antwoord

Dag Pascal,

Een rhesusnegatieve moeder kan bij contact met rhesuspositief bloed antilichamen vormen tegen het rhesusantigen. Van nature heeft zij deze antistoffen niet. Deze antistoffen kunnen bij een daaropvolgende zwangerschap doorheen de moederkoek tot bij de foetus gaan en bij deze foetus een ernstige bloedafbraak veroorzaken indien die foetus rhesuspositief is. De bloedafbraak door rhesusantilichamen kan heel intens zijn en gevaarlijk worden door het veroorzaken van bloedarmoede en geelzucht, die bedreigend is voor de hersenen, dit soms reeds voor de geboorte.
Voor de A-, B- en O-bloedgroepen ligt de situatie enigszins anders. Een moeder met O-bloedgroep heeft van nature antilichamen tegen A en B; zij hoeft daarvoor niet eerst in contact te komen met A of B bloed. Deze antilichamen gaan ook doorheen de moederkoek, maar hun effect is veel zwakker. Zij veroorzaken nooit problemen tijdens de zwangerschap, en na de geboorte is de bloedafbraak langzaam, leidt zelden tot bloedarmoede, en de eventuele geelzucht stelt zich geleidelijk in, zodat ze vlot onder controle blijft met fototherapie en nooit bedreigend is voor de hersenen. Enkel wanneer men de opvolging van de huidskleur van de pasgeboren baby zou verwaarlozen, kan nog wel eens een bedreiging voor de hersenen optreden, maar in normale omstandigheden gebeurt dit niet. Het is dus niet nodig om tijdens de zwangerschap al aandacht te hebben voor de A-B-O-bloedgroep van de zwangere; dat is de taak van de kinderarts na de bevalling.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2020
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen