Bestaat er een algemene regel voor het gebruik van het woord "staan"?

Kristin, 50 jaar
18 januari 2010

Bestaat er een algemene regel voor het gebruik van "staan" en "liggen" of "zetten" en "leggen" van voorwerpen?
Toen ik aan anderstaligen zei dat een glas staat en tafelbestek ligt, kon ik niet verklaren waarom je een vork met wat moeite wel kan zetten en een glas kan leggen, maar waarom een soepbord en een braadpan altijd staat.

Antwoord

Beste Kristin,

het gebruik van de werkwoorden zitten, liggen, en staan in het Nederlands om dingen te lokaliseren in de ruimte, oogt inderdaad ondoorgrondelijk. Er is zeker niet één regel, maar eerder een reeks van verschillende afwegingen die in de keuze meespelen en zelfs met die afwegingen in acht genomen is het soms moeilijk te verklaren waarom sprekers van het Nederlands nu net het ene of het andere werkwoord kiezen om te beschrijven waar zich iets bevindt. De volgende principes lijken in elk geval een rol te spelen:

1. Oriëntatie: voorwerpen hebben een schematische vorm, met grotere en kleinere vlakken. Op één van die vlakken steunt het voorwerp. Als het steunvlak een van de smalle/kleine vlakken is, en als het voorwerp daardoor een verticale oriëntatie heeft (de langere vlakken staan rechtop), zullen we geneigd zijn te zeggen dat een voorwerp staat. Een fiets, bijvoorbeeld, staat tegen een boom, maar ligt op de grond. In feite bevat oriëntatie al twee dimensies: Hoe verticaler iets is, hoe sneller we vinden dat het staat. Denk aan een plank die tegen een wand steunt. Staat de plank netjes rechtop, dan zeggen we dat ze staat, maar wordt de hoek met de grond heel scherp, dan kunnen we gaan zeggen dat de plan tegen de wand ligt. In beide gevallen zijn de steunvlakken nochtans dezelfde. Omgekeerd, echter, hoe groter het steunvlak wordt, hoe sneller we zullen zeggen dat iets ligt: een vaas staat op tafel maar ligt in de zetel, ook wanneer ze in beide situaties even verticaal is, precies omdat ze in de zetel meer steun krijgt.

2. Locatie: de locatie van een voorwerp speelt echter ook een rol. Als een voorwerp zich op een open vlak bevindt waar het prominent boven uit steekt, zullen we geneigd zijn te zeggen dat het staat. Wanneer het voorwerp ingesloten is, kunnen we opteren voor het werkwoord zitten. Van een boek dat zich in een boekenkast bevindt, ingesloten tussen andere boeken, kunnen we zowel zeggen dat het staat als zit. In het eerste geval benadrukken we de verticale oriëntatie, in het andere de opgeborgen en ingesloten locatie. Is de boekenkast gesloten, dan zal je des te meer geneigd zijn te zeggen dat de boeken er in zitten. Je sleutels zitten dan weer in je tas, maar liggen op tafel. Van ingesloten is het een relatief kleine stap naar 'gefixeerdheid'. Van iets dat op een of andere manier is vastgemaakt, zeggen we vaak dat het zit. Dus, een stukje kaas ligt op een schoteltje maar zit op een stokje. Een schoen staat of ligt op de grond, maar zit om je voet.

3. Intentionaliteit: voorwerpen die ergens intentioneel geplaatst zijn, staan dikwijls, terwijl voorwerpen die ergens per ongeluk of per toeval terecht zijn gekomen, veeleer liggen. Een bord staat op tafel omdat het daar is geplaatst, maar wanneer je een bord op de grond ziet dan vraag je 'Waarom ligt daar een bord?'. Om ongeveer dezelfde reden zeggen we van een piramide dat ze staat (de piramide van Cheops staat in Gizeh), terwijl we van een berg zeggen dat hij ligt (de Mont Blanc ligt in Frankrijk), ook al hebben beide ongeveer dezelfde schematische vorm en bevinden ze zich in open ruimte. Een standbeeld staat bijgevolg op een plein, ook al is het een liggend beeld. Als pantoffels zich op hun plaats bevinden staan ze opgeborgen, maar als ze rondslingeren liggen ze in de weg.

4. Intrinsieke oriëntatie: een auto rust normaal gezien op zijn grootste vlak, maar toch zeggen we dat hij staat. Dat is omdat een auto op zijn grootste vlak hoort te staan. Dat grootste vlak noemen we bijgevolg ook als vanzelf de onderkant: het is het vlak dat we onderaan verwachten. Wanneer de auto bij een ongeval op zijn zijkant terecht komt, en dus strikt genomen op een smaller vlak rust, kunnen we toch zeggen dat hij ligt. Een printer staat op een bureau, maar keer je hem ondersteboven dan ligt hij plots. Ook hier kan je zeggen dat in het tweede geval de printer zich niet in de positie bevindt waarin je hem verwacht of waarvoor hij gemaakt is.

Waarom zeggen we dan dat borden op tafel staan? De volgende motivaties moeten tegen elkaar afgewogen worden:

1. Oriëntatie: de richting van een bord op tafel is zonder twijfel horizontaal, maar het steunvlak is niet het groostste vlak.

2. Het bord steekt boven de tafel uit.

3. Een bord op tafel is daar intentioneel geplaatst.

4. Een bord op tafel staat zoals we het verwachten, met het vlak dat we als de onderkant beschouwen naar beneden en de bovenkant naar boven.

Op basis van (1) kan zou je liggen kunnen kiezen om de positionering van een bord op tafel te beschrijven, maar (2), (3) en (4) neigen veeleer naar staan. Alles bij elkaar is de keuze voor staan dus niet onverantwoord.




Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2020
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen