Wat ik bedoel is dat de meeste mutaties die een dier een bepaald voordeel geven in de survival of the fittest, toch ooit een nadeel moeten geweest zijn toen ze nog niet volledig 'ontwikkeld' waren.
De vleugel van de vogels bijvoorbeeld, is er niet op 1 2 3 gekomen. Die moet toch langzaam, over vele generaties, zijn ontstaan en maar op een bepaald moment echt bruikbaar zijn geworden. Maw, de diersoort die we nu als vogels kennen, moet tijdens zijn ontwikkeling toch ooit een extra ledemaat hebben gehad dat hem op geen enkele manier ten goede kwam of dat integendeel een grote handicap vormde.
Maw, hoe heeft een 'stomp' zich over talloze generaties kunnen ontwikkelen tot een vleugel, als al die tussengeneraties daar meer nadeel dan voordeel van ondervonden (omdat de vleugel-in-wording nog niet 'werkte' en dus meer in de weg zat dan wat anders)
Beste Johan,
Je hebt gelijk dat een stomp moeilijk kan toelaten om te vliegen, echter het beschikken over een stomp hoeft niet noodzakelijk een nadeel geweest te zijn. Bijvoorbeeld selectie voor een stomp had mogelijk andere redenen dan voortbeweging.
Je vraag is meer specifiek gebaseerd op vogels, maar graag neem ik je verder mee terug in de tijd, naar de wondere wereld van de insecten. Deze dieren ontwikkelden vleugels 300 miljoen jaar geleden lang voor dat glijdende dinosauriërs of vogels op het toneel verschenen.
Eén theorie bij insecten stelt dat een uitgroei (lees: stomp) van het borststuk toeliet om meer gebalanceerd te glijden. Mogelijk hadden zulke stompen wanneer ze zelfs nog te klein waren om nuttig te zijn voor balans tijdens het glijden hier aan voorafgaande een temperatuursregulerende rol. Echter, indien die stompen simpelweg een uitgroei van het borststuk waren, hoe werden deze dan vervolgens gearticuleerd en van spieren voorzien?
Het is uiteraard meer voor de hand liggend dat initieel gespierde en gearticuleerde structuren, mogelijk met in het begin een andere functie, het uiteindelijk maakten tot vleugels. Dit brengt ons bij de tweede en meer waarschijnlijk theorie, welke stelt dat voorlopers van de vleugel ontwikkelden uit het samensmelten van primitieve aanhangsels die gespierd en gearticuleerd waren. Deze primitieve aanhangsels hadden mogelijk hun nut voor de ademhaling of bij het zwemmen. Bij larven van de steenvlieg (een primitief insect) merken we dat deze hun kieuwen niet enkel voor de ademhaling gebruiken maar ook bij de voortbeweging. Maar hoe leidt dit ons dan van voortbewegen door het water naar vliegen in de lucht? Wel, sommige van die steenvliegen maken na de metamorfose van aquatische larve naar terrestrisch dier gebruik van diezelfde aanhangsels om zich ietwat onhandig over het wateroppervlak te bewegen door die aanhangsels als een soort zeil te gebruiken. Uiteindelijk kunnen sterkere spieren toelaten om meer te doen dan enkel zeilen met eerste flappen en uiteindelijk echt vliegen tot gevolg.
Om even terug te komen op vogels en vleermuizen: bij deze diergroepen ontwikkelden vleugels zich uit reeds aanwezige poten, een veel kleinere sprong dus dan wat we zien bij insecten.
Samenvattend, het is niet evident om exact te weten hoe de graduele wijzigingen gebeurd zijn, maar stompen hoeven niet nadelig te zijn, en lieten mogelijk eerst andere zaken toe waarna ze verder ontwikkelden tot vleugels die efficiënt vliegen toelaten.
Mvg,
Hans
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.