De uitdijing van het heelal zien we in de zogenaamde wet van Hubble-Lemaitre, die de vaststelling uitdrukt dat verafgelegen sterrenstelsels zich van ons verwijderen met een snelheid die groter is naarmate de afstand groter is. Een stelsel B dat verder van ons verwijderd is dan een stelsel A, beweegt zich dus sneller van ons weg dan het stelsel A. Inderdaad, B verwijdert zich ook van A, in dezelfde radiale richting, en de snelheid die wij zien voor B is de optelsom van die voor A en de relatieve snelheid van B ten opzichte van A.
Als die snelheid almaar groter wordt met de afstand, dan is er een afstand waarop die snelheid de lichtsnelheid wordt. Die objecten lopen net zo snel van ons weg als het licht dat het naar ons toe stuurt naar ons toekomt. Voor objecten dichter bij ons zorgt de expansie er ook voor dat het een eindje duurt tot we het ontvangen, het is dus licht van toen het heelal een stuk jonger was. Bij verwijdering met de lichtsnelheid 'zien' (tussen haakjes, want zo ver kunnen we niet kijken) we dus de oerknal.
Uw vraag heeft wellicht te maken met de fysische wet dat een massa nooit met een snelheid gelijk aan of groter dan die van het licht kan bewegen. Maar dat gaat over bewegingen binnen het heelal. De expansie van het heelal is niet echt een dergelijke beweging ten opzichte van een onveranderlijke ruimte. Het is de ruimte zelf die uitzet. En dat kan in principe met elke mogelijke snelheid. Het is dan ook perfect mogelijk dat het heelal zich uitstrekt tot voorbij waar wij de oerknal kunnen zien. Alleen is het licht van daar nog niet bij ons gekomen. Maar dat 'voorbij' geldt dan ook voor alle richtingen, het is niet zo dat dergelijke gebieden aan een bepaalde richting, en een bepaalde bron, verbonden zijn.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.