Tot zover ik het mij herinner zijn er nog nooit zo veel witte pollen geweest. Hoe komt het dat er de voorbije jaren steeds meer zichtbare pollen zijn?
Wat soms “witte pollen” wordt genoemd is eigenlijk geen pollen of stuifmeel. Het betreft de zaden met zaadpluisjes van sommige boomsoorten zoals populier of wilg. Pollen of stuifmeelkorreltjes, de mannelijke voortplantingscellen van planten (equivalent aan de spermacellen van dieren) zijn microscopisch klein. Maar de zaden met hun zaadpluisjes zijn wel goed met het blote oog zichtbaar. De witte pluisjes dienen als een soort parachute om de zaden op de wind ver te kunnen verspreiden. Zo proberen bomen hun leefgebied uit te breiden. Deze zaadpluisjes veroorzaken geen allergieën, zoals met pollen wel het geval kan zijn, maar ze kunnen wel de ogen en neus irriteren.
Maar waarom lijken er sommige jaren meer van in de lucht te hangen dan andere jaren? Sommige boomsoorten kunnen sommige jaren massaal veel zaad produceren en wisselen dit af met jaren waarin ze veel minder zaad aanmaken. In het geval van eik, beuk en kastanje spreekt men van “mastjaren”. “Mast” komt eigenlijk van “mesten”, omdat eikels, beukennoten en kastanjes vroeger werden gebruikt om varkens vet te mesten. En dit kon vooral goed gebeuren tijdens mastjaren wanneer de bomen massaal zaden produceren. Bij deze boomsoorten komen mastjaren om de 3 tot 9 jaar voor.
Hoewel populieren geen echte mastjaren kennen, is het wel mogelijk dat weersomstandigheden, zoals de huidige warme dagen in de lente (mei/juni) zorgen voor een explosieve bloei en zaadproductie.
Het is niet uitgesloten, maar daarover ontbreekt momenteel bewijs, dat de klimaatverandering ertoe leidt dat planten tijdelijk meer zaad proberen te produceren als een soort van overlevingsstrategie?
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.