Vaak werd voor het uitvaren gewacht op een gunstige wind vooraleer te vertrekken. Toch kregen de zeilschepen in de haven hulp bij het manoeuvreren van geroeide sloepen. De grote zeilschepen hadden daarvoor voldoende bemanning aan boord. Toen de zeilschepen niet meer dergelijke grote bemanningen tot hun beschikking hadden, werd het roeisleepwerk overgenomen door bedrijfjes of diensten.
Men gebruikte hiervoor een jol (met 4 man aan de riemen), een sloep (met 12 riemen), een travailler (met 14 man of een barkas (met 16 man). Vanuit de geroeide barkas zouden later de stoombarkassen en de motorbarkassen ontstaan. Het slepen van de zeilschepen werd "boegsieren" genoemd.
Bron:
Sven O. Aarts (2008). Slepen en Sleepboten. Uitgeversmaatschappij Walburg pers, Zutphen. ISBN 978.90.5730.505.4
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.
Mariene, estuariene en kustwetenschappen in de breedste zin van het woord.