Het 'hoe weten we dat' is in verschillende stapjes verlopen.
Eigenlijk is in zekere zin de eerste stap gezet door Copernicus. Hij is uiteraard vooral bekend omdat hij beweerd heeft dat de aarde om de zon draait en niet omgekeerd. Maar juist dat maakt het verschil. Als wij dus bewegen en niet stilstaan, dan moeten wij de richting naar andere sterren zien veranderen. Net zoals we de omgeving zien voorbijvliegen als we ons bewegen in het landschap. Als we dit niet zo goed zien voor de sterren, dan moet dit betekenen dat ze heel veraf staan. Inderdaad, een verkeersteken langs de weg verdwijnt sneller uit ons gezichtsveld dan een ver verwijderde kerktoren. Maar als die sterren zo ver van ons af staan, hoe komt het dan dat we ze toch nog zien? Het kan alleen maar betekenen dat het heel intense lichtbronnen zijn, en daarvoor is er maar een voorbeeld dicht bij ons, namelijk de zon.
Zo wisten we dat sterren zoals de zon zijn, maar daarmee wisten we nog niet wat sterren - inclusief de zon - eigenlijk zijn. Het heeft lang geduurd vooraleer we de andere als meer dan als 'puntjes' konden zien, maar inmiddels konden we toch meer te weten komen door het licht dat ze uitzenden, te analyseren. Dat is een grote revolutie geweest, de sterrenkunde is 'astrofysica' geworden. Door het licht, in al zijn golflengten (kleuren) te vergelijken met dat van de zon, hebben we geleerd hoe ze allen in wezen dezelfde zijn, en hoe hun onderlinge verschillen ons helpen om te begrijpen wat ze zijn. De sterren zijn zonnen, maar de zon is ook een ster, en door allen in hun diversiteit te bekijken, hebben we beter begrepen wat ze zijn. Dat dit allemaal mogelijk is geweest, danken wij aan ons begrijpen van wat licht ons vertelt, dank zij experimenten met licht in fysische laboratoria, en het begrijpen dat daaruit voortgekomen is.
Sterren lijken als puntjes, omdat ze zo ver van ons afstaan. Maar ze moeten toch afmetingen hebben, die we door hun grote afstand enkel kunnen oplossen als we heel scherp kunnen kijken. Daarvoor zijn grote telescopen nodig. De dichtste en de grootstse sterren kunnen we op die manier inderdaad oplossen als kleine cirkeltjes, en de afmetingen daarvan kloppen goed met hetgeen we te verwachten hebben. Tegelijk hebben we (eigenlijk al sinds 1838) met nauwkeurige metingen van de posities van sterren toch kunnen meten dat de kijkrichting naar hen verandert, en juist door dat effect te meten weten we niet alleen dat ze ver staan, maar ook hoe ver.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.