Dag Peppa,
In het dierenrijk bestaan verschillende strategieën om voor voldoende nakomelingen te zorgen. Ofwel hebben ze enorm veel nakomelingen die aan hun lot worden over gelaten ofwel heel weinig waarin veel wordt geïnvesteerd: dat gaat van voeding naar verzorging tot en met opvoeding. In het eerste geval kan het gaan over vele duizenden, en is de idee dat er daarvan wel enkele zullen overblijven. Het ander uiterste is één jong per worp. Bij eierleggende dieren is het niet anders. Dieren die hun legsel gewoon achterlaten, bijvoorbeeld zeeschildpadden, produceren veel meer eieren dan dieren waarvan de jongen worden gevoed tot ze op eigen benen kunnen staan. Veel vogels zijn in dat geval. Maar ook wanneer het legsel wordt achtergelaten zijn er nog tal van variaties mogelijk. De hoeveelheid voedingsstoffen in de eieren kunnen enorm variëren van dier tot dier en daarmee varieert ook het aantal eieren dat in één keer kan geproduceerd worden. Er bestaat dus een zeer uitgebreide gradiënt gaande van veel nakomelingen waarin per jong (ei) weinig wordt geïnvesteerd tot zeer weinig nakomelingen waarin veel wordt geïnvesteerd. In de wetenschappelijke literatuur spreekt men van het r/K continuum. Ook bij vissen vinden we zo’n gradiënt. Muilbroeders bijvoorbeeld, houden hun jongen een tijdlang bij en leggen door de band minder eieren dan vissen die de jongen aan hun lot overlaten. Er spelen natuurlijk nog andere elementen een rol. Door het feit dat vissen in water leven hoeven ze niet te investeren in systemen die uitdroging verhinderen wat bij reptielen en vogels wel het geval is en wat dan weer mogelijkheden schept voor grote legsels.
Beste groeten,
Rudy
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.