Antwoord
Echte kleine steden verschenen in onze gewesten pas in de Romeinse tijd.
- vanaf het neolithicum (ca. 4000 v. Chr.) ontstaan er landbouwdorpen, die echter nooit groter dan zo'n 100 inwoners worden. Overblijfselen zijn er in Haspengouw (keramiekscherven), Maasvallei (begraafplaatsen), Wéris (dolmens en menhirs) en Spiennes (vuursteenmijnen)
- vanaf de brons- en ijzertijd (1500-500 v. Chr.) ontstaan er heuvelforten, o.a. op de Kemmelberg. Door metaal ontstaat er ook een upperclass (met praalgraven) en handel over langere afstanden.
- pas bij de kolonisatie door de Romeinen (57 v. Chr.-ca. 300 n. Chr.) ontstaan echt grotere forten, steden en woonplaatsen, meestal op te verdedigen plaatsen: kruispunten van nieuwe heerwegen, oversteekplaatsen over rivieren. En dat zijn inderdaad in de eerste plaats Tongeren en Doornik, samen met Keulen en Trier. Iets kleiner en later zijn bijvoorbeeld Oudenburg en Aardenburg, en op het platteland ontstonden villae, grote boerderijcomplexen.
Een toegankelijk boek over het ontstaan van die steden, huisvesting en de verdere ontwikkeling ervan (dichterbij de zee, dan weer meer landinwaarts, ontstaan van steden met zelfbestuur...) staat in het recente Dorp, Stad, Land van Maartenjan Hoekstra.
Reacties op dit antwoord
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.