Door wie werd de Leuvense stoof uitgevonden ?

Luca, 12 jaar
5 oktober 2015

Antwoord

Een moeilijke vraag!

Eerst wat over die kachels zelf. Leuvense of Mechelse stoven waren kleinere kachels, die bedoeld waren om met de hogere temperaturen van steenkool of bruinkool te werken, daarom volledig uit metaal waren vervaardigd en de hete rook eerst door een groot en multifunctioneel werkblad (om mee te bakken, om op te koken, om iets warm te houden, om wasgoed te drogen...) lieten lopen, vooraleer het naar de schoorsteen verdween. De eerste namen, buiskachel of plattebuiskachel, geven aan dat het oorsponkelijk een kleine kachel was die ver vooruit stond, en een schouwbuis die eerst horizontaal liep en een platte bovenkant had, die de meeste warmte afgaf. Het werd pas 'Mechels' of 'Leuvens' toen er in de jaren 1850 versierde en beschilderde modellen in die steden werden gemaakt. Het succes hing samen met dat van de steenkool: in België vanaf 1850, tot pakweg 1960. Eerdere kachels waren vaak open haarden of tegelkachels, die enkel de lagere temperatuur van hout verdroegen, en die niet zo heel efficiënt waren want veel warmte de schouw door stuurden.

Terug naar jouw vraag.

  • De Franse architect François de Cuvilliés vond rond 1735 de castrolkachel uit, waarbij de warmte binnen een gesloten doos werd gemaakt: vier stenen wanden, en een metalen bovenblad. Brandstof was hout, en het was weinig regelbaar, maar wel veiliger dan open vuren.
  • Benjamin Franklin werkte in 1742 aan een verbetering van de open haard, door die volledig met metaalplaten te bedekken, en ook door de lucht eerst door een syphon (een zwanehals, of een S-bocht) te laten gaan vooraleer die in de schouw raakte. De bedoeling was om de warmte langer te houden, en minder rook in de kamer te hebben. Je kon er eigenlijk niet op koken - het was een verbeterde open haard.
  • Een andere man uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, Benjamin Thompson, hertog van Rumford, werkte rond 1800 een Rumford-kachel uit, een metalen houtkachel die efficiënter en makkelijker zou zijn:  beter regelbaar dankzij ventilatiegaten, met een werkblad bovenaan, en volledig gemaakt uit gietijzer dat de warmte kon opslaan. Het waren ook grote ovens, niet geschikt voor een huishouden maar eerder voor grote gaarkeukens en kazernes. Thompson was de eerste om te werken met kachelringen: door die weg te halen of terug te leggen kon je het ventilatiegat bovenaan regelen.
  • De Amerikaanse uitvinder Philo Stewart patenteerde in 1834 de Oberlinkachel, die veel kleiner was en effectief bedoeld was als een 'individuele variant' voor pioniers in Ohio, op de grotere missiekachels van het Rumford-principe in het Oosten van de VS, waar Stewart vandaan kwam (Connecticut, meer bepaald). Ook voegde hij voor het groter gebruiksgemak ineens een bakoven toe aan de kachel. Zijn eerste ontwerpen waren van plaatijzer, later van gietijzer. Het idee was om een brood te kunnen bakken met slechts drie houtblokken, en kleren te kunnen strijken met maar één blok in de kachel.
  • Na Stewart werden onmiddellijk veel varianten gemaakt, zeker vanaf 1840 toen Stewart zijn patent wegschonk - hij was een schitterende uitvinder, maar een vreselijk zakenman. Zowel in de VS al in Europa werden ventilatiesystemen toegevoegd, bakregelaars en asladen gepatenteerd, versieringen en buisranden toegevoegd en - zeker bij de overstap op kolen - de verbrandingskamer merkelijk verkleind. Gaskachels (1851) en electrische kachels (1891) werden niet onmiddellijk een succes, omdat ze een toeleveringsnet nodig hadden voor resp. stadsgas en stroom.

Ook in Vlaanderen werd dat weerspiegeld: metalen haarden en kachels duiken op het eind van de 18de eeuw op, exemplaren die losstaan van de muur in de loop van de 19de eeuw. Wie er precies ons Vlaams model van een buiskachel heeft uitgevonden, is niet duidelijk. Wel is duidelijk dat het een typisch Vlaams-Belgisch model was, en heel vaak met art nouveau-invloeden werden gemaakt. Dominique J.B. Vanpée, die in 2006 een studie over het onderwerp maakte, stelt dat een handelaar uit de Diestsestraat in Leuven, een zekere Vandoren, lange tijd octrooien had op onderdelen van dergelijke kachels, hetgeen de naam zou kunnen verklaren.

  • Jozef Weyns, Volkshuisraad in Vlaanderen. Naam, vorm, geschiedenis, gebruik en volkskundig belang der huiselijke voorwerpen in het Vlaamse Land van de Middeleeuwen tot de Eerste Wereldoorlog, Beerzel: Ter Speelbergen, 1974.
  • Dominique J.B. Vanpée, 'Een geschiedenis van de Leuvense stoof' in Gazet de Leuvense stoof [zaterdag 26 augustus – zondag 3 september 2006], n.p. [p. 1-3].

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

Dr. Karl Catteeuw

Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, Roemeens, muziek

Katholieke Universiteit Leuven
Oude Markt 13 3000 Leuven
https://www.kuleuven.be/

Zoek andere vragen

© 2008-2026
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij ikhebeenvraag@eos.be