Antwoord
Ze trokken zich bij de bevrijding terug richting Duitsland, en raakten ofwel vermist, ofwel veroordeeld tot de doodstraf, maar 'bij verstek', d.w.z. dat ze niet in handen van het Belgisch gerecht kwamen. Op één na...
Het lijkt vreemd, maar de meeste gruweldaden in Auffanglager (Opvangkamp) Breendonk werden begaan door Belgen: Vlaamse SS-ers, burgerpersoneel in het kamp (o.a. de tuinier, de smid en de stalknecht) en zogenaamde 'slaapzaalbewakers' (gevangenen die andere gevangenen moesten verklikken en straffen). In het prille begin van het kamp, in september 1940, waren er slechts vier Duitse SS-ers in het kamp, met een veelvoud aan gevangenen. Een kleine compagnie Wehrmacht-soldaten zorgde voor de bewaking rondom het kamp, maar kwam zelden met gevangenen in contact. Enkel door een systeem waarbij de bewaking werd uitbesteed, kon de ellende voor de gevangenen worden versterkt. Op het grote Breendonk-proces dat twee jaar na de oorlog in Mechelen werd gevoerd, stonden enkel Belgen terecht. Van de 23 beschuldigden werd één vrijgesproken, kregen 12 de doodstraf en de rest levenslang of zware dwangarbeidstraffen.
Maar je vroeg naar wat er met de Duitse militairen gebeurd is. Er waren twee commandanten, eerst Philipp Schmitt (september 1940 - november 1943), daarna Karl Schönwetter (november 1943 - september 1944).
- Philipp Schmitt was vanaf juli 1942 tegelijk ook commandant van het verzamelkamp Dossinkazerne in Mechelen, en altijd vergezeld door zijn Duitse herder Lump. Hij liet iedereen doodsbang voor hem maken, zonder zelf zijn handen vuil te maken - er werd zelfs gezegd dat andere Duitse SSers van zijn rang hem vermeden. In november 1943 werd hij door zijn nieuwe baas van de SD (Sicherheidsdienst) Ernst Kaltenbrunner afgezet wegens corruptie met Joodse gevangenen. Na een kort ziekteverlof werd Schmitt overgeplaatst naar Denemarken, waar hij verzetslieden moest opsporen en executeren. In maart 1945 werd hij bij de bevrijding van Roermond door Amerikaanse troepen gewond, en gevangen genomen. In de gevangenis van Rotterdam werd hij door Paul Lévy, een Breendonk-gevangene die bevrijd was en nu als vertaler meetrok met de geallieerden, herkend. In november werd hij naar België overgebracht (eerst naar Breendonk, dan naar Antwerpen) waar hij in 1949 voor een krijgsraad ter dood werd veroordeeld voor de moord op 83 gevangenen in Breendonk. Na een afgewezen beroep en gratieverzoek werd hij in 1950 in Hoboken door een vuurpeloton geëxecuteerd. Hij was de enige Duitse militair die op dergelijke manier na de Tweede Wereldoorlog ter dood werd veroordeeld. Zijn echtgenote Ilse Bikrholz (geboren in Hoboken, NJ!), die ook in Breendonk aanwezig was en later in Berlijn voor de gestapo werkte, is nooit vervolgd.
- Schmitt liet de dagelijkse leiding van Breendonk grotendeels over aan Arthur Prauss, een ongeletterde slager-chauffeur, die bijna heel de oorlog in Breendonk doorbracht (oktober 1940-2 september 1944). Hij was de meest zichtbare Duitser in het kamp, die met een zweep rondliep, iedereen luid uitschold en bedreigde en zeer vaak dronken was. Vooral onder Schmitt had hij de vrije hand. Nadat zijn gezin in Duitsland bij een luchtbombardement was omgekomen, verergde zijn houding. Hij werd in juli 1943 door de medische staf gerapporteerd omdat hij de gevangenen zo toetakelde, en het sterftecijfer in Breendonk zo deed oplopen - Breendonk moest een folterkamp zijn, geen executeerkamp. Bij de opruiming van het kamp in september 1944 trok hij richting Dusseldorf, waarna elk spoor van hem verdween. Er werd vermoed dat hij bij de Slag om Berlijn in april 1945 is omgekomen in gevechten met Sovjettroepen, maar dat is niet zeker. Eén getuige beweert hem in 1947 in Hannover te hebben herkend in het gezelschap van de gevluchte Vlaamse Breendonk SS-er Richard De Bodt.
- Een andere beul van kaliber van Arthur Prauss was Johann Kantschuster. Hij had al een verleden van zware gerechtelijke veroordelingen in Duitsland, stevig drankmisbruik en ervaring als bewaker in de kampen van Dachau, Ravensbrück, Mauthausen en Ravensbruck. Nadat hij in een kantine zijn pistool tegen collega's had getrokken, was men hem daar ook liever kwijt dan rijk. Hij verbleef in Breendonk slechts tussen september 1942 en maart of april 1943, Hij had duidelijk psychische problemen, en was alle dagen zwaar dronken, hetgeen hem uitermate gevaarlijk maakte. Tenminste veertig moorden in Breendonk zijn aan hem toegeschreven. Het is helemaal onduidelijk waar hij naartoe ging na zijn ontslag in Breendonk, ondanks onderzoeken van verschillende partijen die hem voor oorlogsmisdaden wilden berechten. Zijn vrouw beweerde dat hij nog in het voorjaar van 1945 in Berlijn en later Weimar was gekazerneerd, en gaf hem daarna bij het Rode Kruis op als vermist. Verschillende hypothesen konden nooit worden bewezen: gesneuveld in de laatste gevechten, vermoord door ex-gevangenen, ingetreden in het Vreemdelingenlegioen, verder levend onder een valse naam...
- Karl Schönwetter volgde de diamanten-sjoemelende Schmitt in november 1943 op. In de 10 maanden dat hij het kamp leidde, was hij vaak afwezig wegens ziekte, hetgeen hij later als verontschuldiging inriep. Hij beweerde o.a. pas laat op de hoogte te zijn geweest van het bestaan van de folterkamer (die hij direct liet ontruimen), van de ellendige toestand van de gevangenen (die hij pas opmerkte bij de ontruiming in september 1944), van de sterfgevallen (die allemaal tijdens zijn afwezigheid gebeurden) en hij zou bovendien tevergeefs op het ontslag van de gevaarlijkste bewakers hebben, Prauss en Vlaamse SSer Fernand Wyss. De voedselbedeling verbeterde ook tijdens zijn bewind, zij het dat de dwangarbeid absoluut niet afnam - de meeste doden in het kamp, ongeveer de helft, vielen niet door geweld maar door uitputting en ondervoeding. Tegen hem sprak dan weer dat hij eerder in de Oekraïne een kamp voor gevangen partizanen had georganiseerd. Na de ontruiming van Breendonk werd hij in Oostenrijk ingezet, waar hij zich overgaf aan Amerikaanse troepen. Na twee jaar gevangenschap trad hij in het burgerleven, trouwde hij, werkte als bouwvakker en werd pas na zijn pensioen, in 1968, door het Belgische gerecht opgespoord. Net door zijn talrijke afwezigheden en (schijnbaar?) geringe betrokkenheid bij wat in Breendonk gebeurde, kon hem te weinig ten laste worden gelegd om hem te vervolgen. Hij stierf in 1976 in Witten, Duitsland.
- Schönwetter liet zich voornamelijk vervangen door bureaucraten: chef Karl Lamotke en assistenten Rudolf Steckman en Gustav Kämper. Lamotke overleefde de oorlog maar werd nooit vervolgd, Steckman en Kämper raakten vermist in gevechten na de bevrijding van het kamp, vermoedelijk op Duits of Oostenrijks grondgebied.
Lamotke, Steckman en Kämper bleven nagenoeg onbekend bij de gevangenen en hielden zich gedeeltelijk op de achtergrond met kantoorwerk. Maar de brutale Kantschuster, die bijna steeds dronken was, werd na de oorlog beschuldigd van moorddadige activiteiten. Hij overtrof in wreedheid zelfs Arthur Prauss.
Reacties op dit antwoord
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.