Als het universum niet uitdijt maar juist samenbalt, zien we dezelfde verschijnselen: hemellichamen die, vanuit de aarde bezien, dichterbij het centrum staan bewegen van ons vandaan; de hemellichamen die verderaf staan bewegen trager dan de aarde naar het centrum toe en lijken zich dus evenzo van ons vandaan te bewegen.
Met dat idee zijn er twee problemem.
Ten eerste, het heelal heeft geen centrum. Alle waarnemingen duiden er op dat alle plaatsen in het heelal gelijkwaardig zijn. Het centrum is overal en nergens. Stel dat je wezens hebt die op het oppervlak van een ballon wonen, en jij blaast die ballon op. Dus, die wezens hebben alleen besef van het oppervlak op zich. Als jij dan de ballon opblaast zal elk wezen de anderen zien weg glijden, ook al blijven ze op hun plaats zitten. Het is immers de ruimte zelf (hier het oopervlak) die uitrekt. En een vriend die 2x verder zit, zal ook 2x sneller weg bewegen. Ieder wezen zou dus kunnen denken dat hij in het centrrum zit, maar een ballonoppervlak heeft eigenlijk geen centrum.
Ten tweede, stel dat er een centrum zou zijn waarnaar alles toe beweegt: objecten die zich dichter en dichter bij het centrum bevinden zou je dan misschien sneller en sneller van u af zien bewegen, maar... stel dat je vanuit je standpunt voorbij het centrum zou kijken, dus naar wat er achter dat centrum ligt : dan zou je de objecten daar naar u zien toe bewegen, en meer nog de snelheid (naar u toe) zou dan weer afnemen! Dat nemen we in het heelal niet waar. We zien in alle richtingen exact hetzelfde: de vluchtsnelheid is evenredig met de afstand. Alles beweegt van ons weg.
Geachte professor Hellings, Allereerst wil ik u graag danken voor de tijd die u hebt genomen om mijn vraag te beantwoorden. Vanuit het standpunt van een waarnemer uit bezien kan het idee van een centrum moeilijk verdedigd worden. Mijn gedachte dat het heelal een centrum kent, kwam voort uit de BigBang-theorie waarbij met uitgaat van één punt van waaruit het heelal is ontstaan. Hemellichamen aan de andere kant van een 'centrum' zien we naar ons toe bewegen. Aangenomen dat er een centrum zou zijn dat het heelal doet imploderen. Dan zal dit een superzwaar zwart gat zijn dat al het passerende licht naar zich toe trekt. Er zal een buitenrand zijn waar het licht wel passeert maar wordt afgebogen, wat tot een rood-verkleuring zal leiden. Licht van hemellichamen dat op nog grotere afstand van het centrum passeert zullen we niet kunnen waarnemen. Het valt buiten ons gezichtsveld. Ben ik aan het fabuleren? Hoogachtend, Ton Kruisbergen.
Het punt is dat de Big Bang geen eplosie was in een reeds bestaande lege ruimte, maar dat die ruimte juist uit die Big Bang ontstond. Om weer de analogie van de ballon te gebruiken: je kan je inbeelden dat die eerst puntvormig is, en dan polts expandeert. Vanaf dan heb je een "ruimte", namelijk het ballonoppervlak, een ruimte die er eerst niet was. Maar de idee van een centrum blijft toch problemen geven. Stel dat je in de richting van dat centrum kijkt, en je draait je hoofd 90°, dan moet je daar sterrenstelsels en clusters zien, die natuurlijk ook naar dat centrum bewegen. Die zouden dus een snelheidscomponent in onze richting hebben, wat wij zouden waarnemen als een blauwverschuiving. Dit is totaal tegen de waarnemingen in. Geen enkele richting is preferentieel als we naar de waarnemingen kijken. Er is immers geen centrum dat zich op die manier zou kunnen manifesteren.
Geachte professor Hellings, Nogmaals heel veel dank voor uw geduldige uitleg. Mijn gedachte van een imploderend heelal was ontstaan tijdens lezing van een oude tekst, alweer tientallen jaren geleden. Het idee bleef me bezighouden. De tekst had Hindoestaanse wortels. Brahman ademt in en uit. Deze 'grote adem' laat zich waarnemen in een afwisselende uitzetting in inkrimping van het heelal. Een mooi beeld dat bij mij de vraag opriep of dit inderdaad zo zou kunnen zijn. Ook hier werd overigens gesproken van het 'verschijnen en verdwijnen' van het heelal, zoals ook het ontstaan van ruimte, weet ik nu, een 'verschijnen' is. Via Google vond ik het onderstaande fragment uit een theosofisch geschrift. Misschien vind u het aardig om te lezen. Het verschijnen en verdwijnen van het heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie Isis Ontsluierd.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’. – De Geheime Leer, 1:73 Hermetische taal. Hoogachtend, Ton Kruisbergen.
Geachte professor Hellings, Nou ja, wat ik gisteren eigenlijk had willen zeggen was dat áls er een centraal superzwaar zwart gat zou zijn, een zwart gat dat in staat is het hele (voor ons zichtbare) heelal naar 'binnen' te zuigen, dan zal dit ook al het voor ons zichtbare licht afbuigen. Wat buiten de invloedssfeer van dit centrale zwarte gat ligt, valt (met andere woorden) automatisch buiten ons gezichtsveld. Alles wat we waarnemen zal dus een roodverschuiving vertonen. Een 'hermetische' constructie. Wellicht zou zo'n centraal superzwaar zwart gat ook een verklaring kunnen leveren voor de in het heelal ontbrekende anti-materie. Hoogachtend, Ton Kruisbergen.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.