Ik verduidelijk mijn vraag: de tijdsduur dat we een gebeurtenis waarnemen verandert met zijn snelheid: hoe sneller het wegsnelt van ons (dus met een duidelijke roodverschuiving), hoe langer wij het ook kunnen waarnemen. Dus dit vertaalt zich bij een cepheïde op een (foutieve?) langere periode. Hoe langer die periode, hoe helderder de ster is, hoe kleiner het magnitude getal. Wil dit dan ook zeggen dat de afstandsmetingen minder nauwkeurig zijn of is dit gegeven volledig verwaarloosbaar?
Het effect waar u op doelt is reeel: met de kosmologische roodverschuiving gaat een vertraging van de tijd gepaard. Een Cepheide op een afstand die overeenkomt met een roodverschuiving z (dat betekent dat de golflengte van het licht dat we waarnemen 1+z zo groot is als deze van het licht dat uitgezonden wordt), zou ook een pulsatieperiode hebben die met een factor 1+z langer is.
Cepheiden kunnen we echter enkel waarnemen in het nabije heelal, waar de kosmologische roodverschuiving klein is. Het effect is dan ook verwaarloosbaar.
Als we op grote afstanden bepalen, doen we dat met supernovae. En daar wordt inderdaad waargenomen dat de lichtcurven in de tijd zijn uitgerekt. Maar dat hoeft geen aanleiding te geven tot foutieve afstandsbepalingen: de roodverschuiving kan zeer nauwkeurig gemeten worden, en de correctie die moet gemaakt worden is dus gekend, en wordt inderdaad toegepast.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.