Volgens mijn handboek fysica (4e jaar ASO) berekent men de arbeid bij het uitrekken van een veer met de volgende formule:
Arbeid = delta l tot de tweede maal de veerconstante, en dit alles gedeeld door 2. (zie foto voor verduidelijking)
Aangezien de formule voor arbeid "kracht maal afstand waarover de arbeid uitgevoerd wordt" luidt, vraag ik mij af wat de oorsprong is van de noemer 2 bij de formule voor arbeid bij een veer. Bij de formule voor 'normale' arbeid (F x Δx) gaat men ervan uit dat de kracht gelijk blijft. Bij de formule voor arbeid bij een veer vergroot de kracht (k x Δl) echter naarmate de afstand Δl toeneemt. Komt dit omdat 'k' afhankelijk is van Δl? Zijn zij omgekeerd evenredig met factor 1/2?
Dank bij voorbaat,
J. Jahangir
Je hebt al een belangrijk aspect zelf bedacht ! De kracht is inderdaad niet constant, maar neemt toe met de mate waarin de veer wordt uitgerokken (of ingedrukt): F = k.x
De formule voor de arbeid W = F . L kan je dus zoals je zelf terecht vermoedt niet toepassen omdat F niet constant is tijdens de verplaatsing. In dat geval wordt de formule (in één dimensie) gegeven door een integraal. Dat is een heel belangrijk wiskundig begrip dat je (gezien je leeftijd) wellicht nog niet geleerd hebt. Met zo'n integraal kan je rekening houden met het feit dat F niet constant is. Als je dan de arbeid berekent vind je 0.5 k L2. (L = de lengte waarover de veer is ingedrukt of uitgerokken tegenover haar rusttoestand). Je leraar natuurkunde zal je zeker kunnen uitleggen hoe zo'n integraal is opgebouwd.
Je zou als benadering van de werkelijke arbeid het uitrekkenvan de veer opdelen in een heleboel heel heel kleine opeenvolgende stapjes met lengte dx, stapjes die zo klein zijn dat je tijdens zo'n stapje de kracht wel als constant kan aannemen. Als je al die stapjes dan bij elkaar optelt vindt je de totale arbeid. Als alle stapjes even groot zijn zullen de eerste stapjes minder arbeid vereisen dan de laatste.
Zo'n integraal is een krachtig wiskundig middel dat dit mogelijke maakt, meer nog, je kan de integraal gebruiken om die stapjes zelfs oneindig klein te nemen. Tijdens een oneindig kleine stap is de kracht inderdaad constant want je bekijkt ze in feite op slechts één plaats. Je moet dan natuurlijk wel oneindig veel zo'n stapjes doen. Maar wiskundig is het mogelijk om door oneindig veel oneindig kleine stapjes toch een eindige afstand L af te leggen. Zo'n integraal doet dat. Zoals gezegd, je zal nog in de lessen wiskunde zien, en je kan zeker eens met deze uitleg naar je leraar natuurkunde gaan, want die weet vast en zeker meer dan genoeg over die nuttige integralen.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.