Wanneer moet er aan een bijvoeglijk naamwoord een 'e' toegevoegd worden en wanneer niet?

Peter, 44 jaar
15 juni 2012

Een Amerikaanse vriend is Nederlands aan het leren, en hij stelt mij regelmatig vragen hierover. Nu ben ik bepaald geen taalkundige, maar meestal kan ik de uitleg wel ergens vinden.

Maar met deze vraag kom ik er niet uit... Bijvoorbeeld:

Een zwart paard, maar een zwarte koe
Een rood tapijt, maar een rode loper

Ik wéét wanneer ik wát moet gebruiken, maar dat is op ervaring en gevoel; daar heeft een buitenlander natuurlijk niet zo veel aan :-)

Antwoord

De "vuistregel" is: in combinatie met "een", krijgt het adjectief bij een "de-woord" wel een e, maar bij een "het-woord" niet.


HET paard is dus het zwarte paard maar EEN zwart paard (zonder e)
DE koe wordt de zwarte koe en een zwarte koe.


Uiteraard is dit wat al te eenvoudig gesteld, voor meer info kan men onder meer terecht bij de elektronische ANS (zie www.let.ru.nl/ans/e-ans ). Daar wordt uitgelegd dat er verbogen en niet-verbogen vormen van adjectieven bestaan en is er info over het gebruik van de verbogen vorm en van de niet-verbogen vorm. Ik heb de info over het gebruik van de verbogen vorm hieronder gekopieerd.

dr. Myriam Vermeerbergen

---------- uit de e-ANS:

Gebruik van de verbogen vorm 
 
[ 6·4·1·2·ii ] 
 
De verbogen vorm (met sjwa) treedt op in de volgende gevallen:

[A]  Bij een attributief, als bijvoeglijke voorbepaling gebruikt adjectief:

[1]  in combinatie met een de-woord (zoals de fietsde wijnde vrouw ), bijv.:

de groene fietsonze groene fietseen groene fietsgoede wijnwelke rode wijn ookzulke lekkere wijndie volslanke vrouwJanstoekomstige vrouw;



[2]  in combinatie met een substantief in het meervoud, bijv.:

leuke boekengrote jongensstille kinderenalle oude voorwerpengeen grijze wolkendrie bruine flessendergelijke bruine flessenveleinteressante gegevens;



[3]  vrijwel altijd (maar zie ) in combinatie met een het-woord (zoals het bierhet huishet kind ) in het enkelvoud, wanneer het adjectief voorafgegaan wordt door hetditdat, een bezittelijk voornaamwoord of een vooropgeplaatste genitief (of een equivalent daarvan), bijv.:

het lekkere bierdit lekkere bierdat oude huishun oude huisjullie jongste kindJans lieve kindJan z'n oudste kindhaar zwarte paard.




[B]  Bij zelfstandig gebruikte adjectieven gelden dezelfde regels als onder [a], bijv.:

de groene fiets en de zwartezure melk en versedie dikke plank of die dunnejonge mensen en oudeenkele belangrijke gegevens en minderbelangrijkejullie kleinste kind of jullie grootste.



[C]  In de overtreffende trap na het ('t), bijv.:
(1a) Dat was 't leukste.
(2a) Die weg is het mooiste.
In dit geval kan echter ook de onverbogen vorm gebruikt worden :
(1b) Dat was 't leukst.
(2b) Die weg is het mooist.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2026
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij ikhebeenvraag@eos.be