In zijn eenvoudigste vorm zou je kunnen stellen dat een TV een toestel is waarmee je naar (bewegende) beelden kunt kijken. Het is een toestel dat licht uitstuurt dat door onzen ogen waargenomen wordt. Sinds de introductie eind de jaren '30 is er ook hier een ganse evolutie gebeurd. In de beginjaren waren de beelden uitsluitend zwart-wit.
Aan de toestellen op zich is er de laatste jaren vooral een evolutie geweest van CRT (Cathode Ray Tube of kathodestraalbuis) toestellen naar vlakke beeldschermtechnologieën zoals LCD of plasma schermen. De CRT toestellen werken op het principe dat het scherm oplicht als het getroffen wordt door een elektronenstraal. Deze elektronenstraal wordt gestuurd door een afbuigmechanisme. Die oudere TV toestellen waren dan ook omwille van het afbuigmechanisme zo dik.
Bij LCD (Liquid Crystal Display of vloeibaar-kristalschermen), worden kleine deeltjes tussen twee glasplaten beïnvloed om het licht aan te passen. Bij plasmaschermen wordt het principe van een TL-buislamp toegepast, maar dan als een paar honderdduizend kleine lampjes.
Los van de technische eigenschappen van de TV is er ook veel veranderd in de toepassing ervan. Denken we maar aan teletekst en opnemen en afspelen van beelden. Voor dit laatste was dit eerst op magnetische opslagmedia (zoals videorecorder), later op digitale media (zoals een DVD of harde schijf).
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.
Draadloze communicatie (standaarden, platformen, algoritmes voor signaal verwerking en fout-correctie)