Om te kunnen vliegen hebben we iets nodig waarmee we ons van de aarde kunnen afduwen en de lucht genoeg naar beneden kunnen duwen om zelf omhoog te gaan. Dieren die kunnen vliegen hebben vleugels en zijn zelf erg licht.
Een vogel heeft bv. heel lichte beenderen en bovendien erg grote vleugels waarmee het als het ware door de lucht kan "zwemmen". Een vleugel doet immers hetzelfde in de lucht wat wij in het water doen. We duwen ons af tegen het water met onze handen en voeten. In water lukt dat voor mensen, omdat het water ons al een beetje "draagt". In water worden we niet zo hard naar beneden getrokken als in de lucht.
Om te kunnen vliegen hebben we dus een groot oppervlak aan vleugels nodig en verder mogen we zelf niet te zwaar zijn. Bovendien moeten we sterk genoeg zijn om die vleugels te gebruiken. Een mens heeft geen van de drie en kan daarom niet op zichzelf vliegen.
Toch zijn er veel mensen die geprobeerd hebben om te vliegen. Ze bouwden grote vleugels, maar waren nooit sterk genoeg om hun zware mensenlichaam met die vleugels omhoog te krijgen. Soms lukte het om met zulke vleugels van een berg te springen en naar beneden te zweven. Vervolgens bedachten ze machines die sterk genoeg waren om de vleugels te bedienen of om genoeg kracht te hebben om de lucht onder de vleugels naar beneden te duwen. Zo ontstonden de vliegtuigen.
Een mens kan dus alleen maar vliegen met de nodige machines of apparaten.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.