Ik weet dat er reducerende en niet-reducerende suikers bestaan, alleen weet ik niet goed hoe je het verschil tussen de twee kan zien. Zou u het kunnen uitleggen aan de hand van een Haworth-projectie? En zou u ook een voorbeeld kunnen geven? Dank
Dag Liza,
Reducerende suikers kunnen 'iets' reduceren, meestal gebruikt men hiervoor Cu+2 reagentia die gereduceerd worden tot Cu+1. Dit is te zien aan de rode kleur (in basisch midden neerslag) in plaats van het helderblauw van Cu+2 zouten. Andere reagentia zijn echter ook mogelijk (DNS: hierbij wordt een nitro-groep van dit organisch molecule gereduceerd tot een aminogroep).
De suikers zelf worden natuurlijk geoxideerd, maar de oxidatieproducten zijn niet zo duidelijk. Waarschijnlijk begint de oxidatie bij de aldehyde-groep of de hemiacetaalgroep van het suiker: deze worden tot zuur (COOH) of lacton geoxideerd. Maar nadien gaat de oxidatie verder tot .... zodat kwantiatieve reacties niet te schrijven zijn.
Reducerende suikers zijn suikers met een hemiacetaalgroep als glucose, galactose, fructose: alle monosacchariden. Bij de di- en oligosacchariden hangt het af van de glycosidische binding (of reducerend dat je met de kleurreactie niet boven detectielimiet uitraakt. Er is dan wel een reducerend uiteinde, maar je kan het niet zichtbaar maken. We noemen deze suikers dan ook geen reducerende suikers.
Met vriendelijke groeten,
Myriam Meyers
KHLim - industriële wetenschappen in biochemie, Diepenbeek
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.