Zou de dood van God nadelig zijn voor de ethiek?

Daan, 18 jaar
22 december 2009

Een groot deel van onze (Westerse) ethische begrippen zijn gebouwd rondom (of door) het christendom. Volgens de leer van Kant zijn de "absolute moral rules" een soort bevel van God. Zou dan de dood of het bewijs dat God niet bestaat nadelig zijn voor de ethiek? Kunnen we er dan van uitgaan dat de leer van Kant niet correct is? Of moeten we aannemen dat er universele morele regels bestaan (= morele axioma's?)

Antwoord

Een deel van het antwoord op uw vraag heb ik eerder gegeven, zie: www.ikhebeenvraag.be/wetenschapper/vraag3.jsp?id=13580

God is helemaal niet noodzakelijk voor de uitbouw van een moreel systeem, een ethiek. God is voor een atheïstisch moraalwetenschapper als ik een overbodige hypothese. Denk aan de legendarische uitspraak van de astronoom Pierre-Simon Laplace toen Napoleon hem vroeg waarom god ontbrak in zijn boek over astronomie: 'Sire, je n'ai pas eu besoin de cette hypothèse". Dit geldt niet alleen voor exacte wetenschappen maar ook voor menswetenschappen. De hypothese 'god' is voor de opbouw van een moreel systeem niet alleen overbodig maar ook hinderlijk. Moraal heeft met menselijke waarden, normen en idealen te maken. Mensen moeten en kunnen het daar onderling over eens worden, zonder een hoger dan een algemeen menselijk en maatschappelijk gezag in te roepen. En dan kom je, zoals in de meeste godsdienstige morele systemen (ook bedacht door mensen), inderdaad tot enkele universele morele waarden en normen, zaken waarover alle mensen of toch een grote meerderheid het eens zijn, zoals 'gij zult niet doden' (behalve op bevel of om zware criminelen te elimineren).

Historisch gezien is het - zoals u stelt - natuurlijk zo dat morele begrippen doorgaans samenhangen met (een door mensen bedacht) hoger gezag, van een al dan niet bezielde Natuur, over goed- en boosaardige geesten tot allerhande godheden (en duivels). Dat heeft met tal van factoren te maken, zoals de aanvankelijk grote kwetsbaarheid van de (voorschriftelijke) mens; zijn gebrek aan kennis over de natuurfenomenen (zoals bliksem en donder); machtsuitoefening en machtsmisbruik; het ontkennen of proberen te overstijgen van de uiteindelijke dood (een hiernamaals); het verlangen naar iets hogers, en nog veel meer. Daar zijn vele bibliotheken over vol geschreven.

Een moraal met god of goden, is een moraal die zich op een hoger gezag dan dat der mensen beroept, doorgaans om aan de gehuldigde of geponeerde waarden, normen en idealen meer autoriteit te verlenen, ze afdwingbaarder te maken. Maar tot het bewijs van het tegendeel werden alle morele codices, zoals de decaloog, door mensen bedacht en geschreven. Moraal is des mensen, richt en regelt onderling menselijk gedrag.

In onze cultuur en tijdrekening (ook al opgehangen aan de geboorte van een godheid) brak pas met de radicale Verlichting (Spinoza, La Mettrie, Diderot, Helvetius, d'Holbach, d'Alembert...) het besef door dat er geen schepper, geen god is. De mens staat er alleen voor, hij/zij moet en mag zelf een betere wereld scheppen, mag en moet zelf politieke en ethische systemen uitwerken. Zoals bekend liep dat niet altijd van een leien dakje, soms draaide het faliekant uit. Geen wonder, we zijn feilbare mensen, geen goden (zie hierover eventueel het eerste deel van mijn in 2008 verschenen De mens voorbij, waarin u ook veel andere referenties vinden kan).

Bewijzen dat god - welke god, er zijn er zoveel - niet bestaat, kan niet. God is geen feit maar iets waar men al dan niet geloof aan schenkt, in gelooft. Sommige filosofen en wetenschappers menen dat je als wetenschapper geen uitspraak kunt of mag doen over het al dan niet bestaan van god, of beter, goden. Andere filosofen en wetenschappers (waaronder ik) menen dan weer dat je mag of zelfs moet stellen dat goden niet bestaan tot het bewijs van het tegendeel. Op die manier wordt de bewijslast verplaatst naar wie een per definitie onbewijsbaar gegeven introduceert om bepaalde - of zelfs alle - fenomenen te verklaren of te rechtvaardigen, zoals een moreel systeem. Als filosoof en wetenschapper hoor je spaarzaam om te springen met je zijnsleer ('ontologie',  met een geleerd woord). Geen nieuwe, onbewijsbare veronderstellingen of argumenten introduceren als dat niet strikt noodzakelijk is (voor bijvoorbeeld de opbouw en/of verklaring van een ethiek).

Ook al ben ik er privé van overtuigd dat er geen goden bestaan, als wetenschapper stel ik alleen dat ze niet bestaan tot het bewijs van het tegendeel. Doe je dit niet, dan mogen wetenschappers voortaan ook geen scepsis meer uiten over (het bestaan van) Satan, duivels, engelen, UFO's, geesten, elfjes en kabouters… Dan kan alles wat mensen ooit bedacht hebben en nog zullen bij elkaar fantaseren in principe bestaan. En dan is het eind niet in zicht.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

Prof. dr. Gie van den Berghe

moraal, ethiek, geschiedenis nazi-kampen en genociden, ooggetuigenverslagen, de Verlichting, eugenetica, darwinisme, historische foto's, transhumanisme

Universiteit Gent

http://www.ugent.be

Zoek andere vragen

© 2008-2026
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij ikhebeenvraag@eos.be