25/07/2008
drs. Tom De Roo
Aan de reactie van dhr. Van Neer zou ik nog het volgende willen toevoegen:
Een dier wordt als huisdier 'gebruikt' omdat het een zeker nut heeft voor de eigenaar ervan. Dit nut kan economisch zijn (bijvoorbeeld het leveren van melk of vlees), maar ook emotioneel (het aanbieden van gezelschap, het geven van een goed gevoel), of een combinatie van beide. Wanneer dieren vooral omwille van emotioneel nut worden gehouden, dan noemt men dit vaak 'gezelschapsdieren'. Dit kunnen huisdieren zijn (dat wil zeggen: gedomesticeerde dieren die afstammen van een wilde voorouder, zoals dhr. Van Neer al zegt), maar dat hoeft niet: zo kan men ook wilde vogels tot gezelschapsdieren maken door hen te vangen en in een kooi te zetten, waarbij het emotioneel nut dan kan zijn dat ze er mooi uitzien en/of een aangenaam geluid maken.
Hoe het komt dat honden en katten huisdieren zijn en (meestal) niet in het 'wild' leven, heeft te maken met biologische eigenschappen van honden en katten én de historische processen die ze hebben meegemaakt. Dhr. Van Neer gaf al aan hoe de oudste overblijfselen van de 'echte' hond 14.000 jaar oud zijn, maar onderzoek dat naar gedeelde omgevingsgebonden aandoeningen (met name overeenkomende ziekten) wijst uit dat de mens en de hond, of diens directe voorloper, al 50.000 jaar in elkaars gezelschap leven. Dit verstevigt het vermoeden dat sommige diersoorten biologisch voorzien en voorbestemd zijn om succesvol te kunnen overleven in nabijheid van de mens. Naast honden en katten zijn dit bijvoorbeeld ook ratten, bepaalde soorten muizen, huisvliegen, enzovoorts. De menselijke omgeving voorziet hen van voedsel (meestal afval van de mens of prooidieren die op dit afval afkomen), onderdak en bescherming tegen vijanden. Zij 'kiezen' in zekere zin voor een leven in de buurt van de mens, dat voor hen betere overlevingskansen biedt dan een volledig 'wilde' omgeving.
Het is waarschijnlijk dat de eerste honden en katten die in de buurt van menselijke nederzettingen overleefden werden 'gebruikt' door de mensen omdat ze een zeker nut hadden.
Honden konden worden afgericht om te helpen bij de jacht, maar waarschijnlijker is dat ze eerst werden gehouden als een soort van 'bewegend kacheltje' zoas de inheemse Australische bevolking nu nog doet, of als waker, of zelfs 'gewoon' als gezelschapsdier. (Een combinatie van voorgaande zaken lijkt het meest waarschijnlijk, net zoals dat nu vaak het geval is: een hond is vaak niet enkel een gezelschapsdier, maar ook een waker die het huis en de familie moet beschermen.)
Over het eerste 'gebruik' van katten zijn welhaast geen bronnen te vinden. Het oudste materiaal toont hoe katten als heilige dieren werden vereerd: het meest bekend is de oude Egyptische cultus rond de godheid Bastet, maar er waren ook kattencultussen bij oude Germaanse, Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse stammen. Mogelijk heeft ook dit een oorsprong in een zekere nuttigheid. Voor een volk dat zo van landbouw afhankelijk was als de oude Egyptenaren, bijvoorbeeld, moet het onmiddellijk zijn opgevallen welke belangrijke rol katten konden spelen in het vrijwaren van graanvoorraden tegen ratten en muizen. (Eenzelfde nutsoorsprong heeft de 'heilige' koe in de hindoereligie; éérst was dit dier uitermate belangrijk vanwege haar belang in de landbouw en zuivelmakerij, later verwerd ze tot heilig en kreeg ze aldus een beschermde status.)
Honden en katten vertonen nog een ander 'nut' wat hen bijzonder geschikt maakt om het tot gezelschapsdier te schoppen: zij worden geacht in zekere zin te kunnen communiceren met de mens. Ze kunnen uiteraard niet 'praten' (al zullen sommigen onder ons vinden van wel), maar ze kunnen uitdrukking geven aan hun gevoelens door non-verbale communicatie - bijvoorbeeld bewegingen van de oren en de staart, positie van de wenkbrauwen, het al dan niet tonen van de tanden, het maken van geluiden, enzovoorts. En die worden dan door mensen op een bepaalde manier geïnterpreteerd - als bijvoorbeeld een hond gromt, dan interpreteren wij dat hij kwaad is. Deze dieren zijn meestal ook ontvankelijk voor menselijke communicatie: wanneer je bijvoorbeeld kwaad wordt op een hond, zal hij ineenkrimpen en de staart tussen de benen plaatsen - hij verstaat niet wat je zegt, maar aan de toon en het stemvolume 'begrijpt' hij dat je kwaad op hem bent. Op die manier zijn er wederzijdse uiting én begrip van gevoelens.
Belangrijk is vooral dat de mensen die gezelschapsdieren houden naar alle waarschijnlijk méér in de gevoelsuitingen van hun dieren zien, dan deze dieren er zelf in (kunnen) leggen. Als de hond met zijn staart kwispelt en de kat spint, 'voelt' hun eigenaar dat hij of zij de meest geliefde mens ter wereld is - en wie wordt er nu niet graag lief gehad? Zij hebben het 'nut' dat zij hun eigenaar een goed gevoel geven, doordat hun eigenaar hun communicatieve gedrag en houding op die manier interpreteert. Dit verklaart het succes van die soorten die als gezelschapsdier worden gehouden.
|