Waarom is de variatie binnen een bepaalde taal groter in een land waar die taal oorspronkelijk werd gesproken?
Het is mij opgevallen dat in landen zoals de Verenigde Staten, Canada, Australiƫ en Nieuw-Zeeland de variatie aan Engelse dialecten veel kleiner is dan in Engeland, van waaruit die landen gekoloniseerd werden. Ook voor Zuid-Amerikaanse landen geldt dit met betrekking tot het Spaans en Portugees. Enerzijds begrijp ik dat die "nieuwe" landen minder tijd gehad hebben om hun eigen dialecten te ontwikkelen, maar anderzijds is het toch zo dat mensen uit verschillende streken (en dus met verschillende dialecten) naar die landen geƫmigreerd zijn.
Antwoord
Emigrerende mensen kunnen inderdaad uiteenlopende geografische achtergronden hebben, maar als ze eenmaal ter plekke aangekomen zijn, zorgt het onderlinge contact tussen die mensen er meestal voor dat de dialectverschillen uitvlakken: emigranten en vooral hun kinderen gaan het oude dialect inruilen voor een 'mengtaaltje' van alle dialecten die in de overzeese smeltkroes zijn samengekomen (een 'koinè' in taalkundig jargon). Een uitzondering hierop vormen groepen die zich ook in het nieuwe thuisland isoleren van invloeden van buitenaf, zoals bepaalde groepen baptisten in de Verenigde Staten, die ook nu nog een dialect spreken dat nog zeer sterk lijkt op het Nederduitse dialect van hun voorouders.
Overigens hoeft het zeker niet altijd zo te zijn dat de variatie vermindert bij emigratieprocessen. Emigranten komen in de regel vaak in contact met andere talen, en in die contacten kan ook makkelijk variatie ontstaan. Zo zijn bepaalde kenmerken van het Engels zoals dat door zwarte Amerikanen wordt gesproken, terug te voeren tot de invloed van de Afrikaanse talen die door hun voorouders werden gesproken. En in het Carraïbische gebied worden tientallen creooltalen gesproken die van het Engels afgeleid zijn maar voor Engelstaligen wellicht nauwelijks nog te begrijpen zijn.
Deze vraag werd beantwoord door:
dr. Gunther De Vogelaer
onderzoeker
| Universiteit Gent |





