Ik vroeg mij af hoe je een metaalbinding onderscheidt van een atoom- en ionenbinding?
Als het verschil in elektronegatieve waarde minder is dan 1,6 dan is het een atoombinding met deellading. Is het verschil meer dan 1,6 dan is het een ionbinding. Wanneer is het een metaalbinding?
DIT IS GEEN SCHOOLTAAK, MAAR EEN VRAAG DIE ZELF BIJ ME IS OPGEKOMEN, TERWIJL IK ME AAN HET VOORBEREIDEN WAS/BEN VOOR EXAMENS BIJ DE EXAMENCOMMISSIE/ IK DOE THUISONDERWIJS, DUS HEB IK GEEN LEERKRACHT WAARAAN IK DEZE VRAAG KAN STELLEN!
Antwoord
Dit heeft eigenlijk te maken met de soorten elementen die binden.
Er zijn atomen die gemakkelijk elektronen afstaan, omdat ze er maar enkele hebben op de buitenste schil (1,2,...). Deze atomen worden metalen genoemd. (Zie vb. eerste kolommen in het periodiek systeem.) Er zijn ook atomen die liever elektronen opnemen, dat zijn dan niet-metalen. Die hebben bijna 8 elektronen op de buitenste schil en willen daar 8 van maken. (Zie latere kolommen in het periodiek systeem, vb. zuurstofgroep, halogenen.) De laatste kolom zijn de edelgassen, die hebben 8 elektronen op de buitenste schil en zijn daar "tevreden" mee, die reageren dus niet, gaan geen bindingen aan.
Om het heel eenvoudig te stellen: metalen staan graag elektronen af, niet-metalen nemen graag elektronen op. (Er is natuurlijk een grijze zone van atomen die soms liever elektronen aantrekken en soms liever elektronen afstaan. Alles hangt ervan af met welk ander atoom ze in contact komen.)
Ionbinding: Als een metaal (kleine elektronegatieve waarde) met een niet-metaal (grote elektronegatieve waarde) een binding aangaat, is het duidelijk dat dat metaal zijn elektronen zal "afgeven" aan het niet-metaal. Het verschil in elektronegatieve waarde is groot, er ontstaat een ionbinding. (vb. NaCl, Na is een metaal, Cl is een niet-metaal)
Atoombinding: Als niet-metalen een binding aangaan met elkaar, willen die allebei elektronen meer, er worden dus elekronen gedeeld. Je krijgt een atoombinding, ook wel covalente binding genoemd. Verschillende soorten atomen hebben een verschil in elektronegatieve waarde, dus in hoe sterk ze elektronen aantrekken. Het ene atoom kan dus iets meer aan die elektronen trekken, zodat die iets meer opschuiven naar de ene kant. Er is dan een "deellading". (vb. bij O2 trekken beide atomen O even sterk aan de elektronen, er is geen deellading, terwijl bij CO2 de O-atomen meer aan de elektronen trekken dan C, de elektronen zullen een beetje meer verschuiven naar de O-atomen)
Metaalbinding: Als metalen met elkaar binden is er een metaalbinding. De metaalatomen willen hun elektronen op de buitenste schil dus liever "kwijt", maar er is geen ander atoom wat die elektronen wil opnemen. Er bestaat een metaalrooster, waarbij de metaalatomen aan elkaar hangen, terwijl die "buitenste elektronen" er een beetje losjes bijblijven en ook gemakkelijk van het ene metaalatoom naar het andere overgaan. (Misschien nog gehoord van het zogenaamde "vrij elektronenmodel" bij metalen, alsof de elektronen totaal vrij zijn, wat in werkelijkheid niet helemaal zo is.)
Deze vraag werd beantwoord door:
ir Ineke De Coninck
lector fysica
| Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen |




